Recensie

Het noorden is het redmiddel tegen het wilde zuiden

Maarten Doorman

Verlies aan historisch bewustzijn, bloot of naakt, het verschil tussen noord- en zuid-Europa. Een greep uit de nieuwe essays van filosoof Maarten Doorman.

Illustratie iStock

Al in de eerste zin van zijn essay over ‘Tijd en engagement bij Thomas Mann’ constateert schrijver en filosoof Maarten Doorman ‘ons verlies aan historisch bewustzijn’. Er is wel veel belangstelling voor geschiedenis, zegt hij, maar ‘het besef dat onze geschiedenis een bepaald verloop heeft’ is verdwenen. We hebben niet langer het vermogen om een samenhang te zien tussen het verleden en al die actuele zaken waarover we eindeloos discussiëren. Ook de media zijn nauwelijks meer in staat om het nieuws te duiden door het ontbreken van historisch besef.

Doorman (1957) gaat te rade bij De Toverberg van Thomas Mann, ‘verbluft over de actualiteit van deze roman van bijna een eeuw oud’. De personages in dat boek verblijven in een kuuroord hoog in de bergen en zijn vervreemd geraakt van de verre wereld van het laagland; in hun droomwereld leven ze in een ‘tijdloze tijd’. ‘Er gebeurt veel in het sanatorium’, schrijft Doorman, ‘maar er is geen geschiedenis. Wat een rake metafoor, bijna honderd jaar later, voor het tijdsbesef van veel hedendaagse media.’

De mensen op de berg leven ‘binnen de lijst van een romantisch schilderij’, maar dat kan niet eindeloos voortduren. Aan het eind van De Toverberg (1924) worden ze dan ook hardhandig geconfronteerd met de onvermijdelijke voortgang van de geschiedenis als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Vanaf grote hoogte tuimelen ze neer in de echte wereld. Doorman beveelt de opiniemakers en cultuurduiders aan om dit boek te lezen, zodat ze ‘wakker geschud worden uit de ontkenning van een geschiedenis die altijd maar weer terugkeert met een scala van onaangename verrassingen’.

In deze gedachtengang zou je de omtrekken van een programma kunnen vinden dat geldt voor Doormans hele essaybundel, Dichtbij en ver weg. Tenminste, voor zover het woord programma van toepassing is bij essays die in een los verband staan. Wat hij namelijk voortdurend doet is nieuw licht werpen op hedendaagse kwesties door de historische achtergrond te schetsen. Die kwesties lopen uiteen van het Westerse beeld van de tropen tot het onderscheid tussen bloot en naakt en ons verlangen naar privacy. Vaak komt daarbij ter sprake hoezeer onze cultuur nog onder invloed staat van de Romantiek, een onderwerp waar Doorman eerder over schreef in De romantische orde (2004).

De belangstelling voor de geschiedenis (de algemene en de persoonlijke) is zo’n verschijnsel dat op de Romantiek teruggevoerd kan worden. Het romantisch verlangen naar het verre en vreemde vond in de Middeleeuwen een tijdperk waar eindeloos over gefantaseerd kon worden. En de romantische ontdekking van het individu leidde tot de eerste moderne autobiografieën. In zekere zin is Doorman ook een romantische auteur die in zijn essays steeds verleden en heden verbindt en ideeën en eigen ervaringen verknoopt; zo maakt hij de dynamiek tussen ‘dichtbij en ver weg’ zichtbaar.

Zo begint Doorman een van zijn essays door te vertellen over een briefwisseling die hij met Michaël Zeeman (1958-2009) voerde, toen die correspondent voor de Volkskrant was in Rome. Ze schreven vaak over het verschil tussen noord en zuid, ‘waarbij het zuiden altijd beter was’ vanwege het weer, de wijn en de wellevendheid.

Wantrouwen

Dan volgt een historische schets en via Montesquieu en Diderot komt Doorman uit bij het noordelijk wantrouwen jegens het zuiden dat opspeelde tijdens de Europese crisis, waarbij het nijvere noorden de zuidelijke landen luiheid verweet. Vervolgens doet Doorman het beeld kantelen: ook in landen als Spanje, Griekenland en Italië heb je zo’n soort tegenstelling. ‘Het noorden is overal.’ Dan maakt de auteur nog een laatste draai als hij stelt dat het noorden ‘alleen maar in ons hoofd zit’ om ons ‘in te tomen tegen het ongebreideld drinken, feesten, ouwehoeren, versieren’.

Op deze manier speelt Doorman op lichtvoetige en toch diepzinnige wijze met zijn onderwerp, zonder dat hij per se iets wil betogen. Het is een genot om zulke essays te lezen waar je vaak ook nog van alles uit opsteekt over filosofie, literatuur en kunst.

In een paar andere, minder interessante stukken neemt hij wél stelling en dan slaat hij ook een cultuurpessimistische toon aan, terecht misschien. Zoals wanneer het gaat over de universiteit, waar het meer dan ooit om geld en reputatie draait, en over het gezag van de traditionele kunstkritiek dat is aangetast door internet. Dat Doorman zich betrokken voelt bij deze onderwerpen is niet zo vreemd: hij doceert cultuurfilosofie aan de Universiteit Maastricht en doceerde literaire kritiek aan de VU en de UvA.

Het aardige is dat Doorman, met al zijn liefde voor hoge cultuur, niet schroomt om soms over populaire cultuur te schrijven. Dan valt, nadat we over Schopenhauer en Kant hebben gelezen, opeens de naam van Janet Jackson, Lou Reed of David Bowie. Zoals de erudiete essayist zelf ook niet schroomt om op de kermis in Luik een keer in een Tapis Volant te stappen, een platform met stoeltjes dat omhoog en omlaag zwiept. Maar op het moment dat hij zo misselijk is dat hij moet braken, denkt hij wel weer aan Schopenhauer, die vermoeid constateerde dat het leven een tredmolen is waar we ons maar beter aan kunnen onttrekken.