Gouden tijden voor private equity

Investeringsmaatschappijen Angelsaksische investeerders liften mee op de economische hoogconjunctuur en sluiten de ene lucratieve deal na de andere.

De Hema geldt als hét zorgenkind in private equity. De investering is mislukt in de zin dat Lion Capital, eigenaar sinds 2007, de keten nooit heeft kunnen verkopen. Foto Bart Maat/ANP

Nergens wordt het geld nu zo royaal verdiend én weer uitgegeven als bij de private-equityfinanciers. Kleine firma’s, imposante bedragen. Hun dagelijks werk is het kopen van complete, soms beursgenoteerde bedrijven. Of van divisies van grote concerns die er vanaf willen. Of van familiebedrijven.

Vervolgens doen ze alles voor één doel: waardegroei van hun investeringen. Dat kunnen extra uitgaven zijn, voor marketing bijvoorbeeld. Of verkoop van vastgoed. Of het bedrijf opbreken en in stukken verkopen. Ze eisen vaak dat de directie óók een serieuze aandeelhouder wordt, zodat topkader en financiers dezelfde belangen hebben.

En na vijf jaar, of drie jaar, of soms nog sneller, proberen ze hun investering zo lucratief mogelijk te verkopen.

Ze zijn inmiddels alom tegenwoordig in de economie. Bedrijven met private-equityfinanciers maken musicals (Stage). Ze hebben winkelketens (Action, Hema). Software (Exact). Vakantieparken (Roompot; Landal). Boter (de voormalige margarinedochter van Unilever).

De afgelopen twee weken hadden ze het druk in Nederland. De Amerikaanse financier Carlyle en het staatsinvesteringsfonds van Singapore GIC kochten voor 10,1 miljard euro de chemiedivisie van AkzoNobel. De Nederlandse financier Waterland verkocht afvalbedrijf Attero met een klinkend rendement aan twee andere private-equityfinanciers, 3i Infrastructure en DWS. En deze week verkochten Carlyle en financier Riverstone het Rotterdamse overslagbedrijf HES (kolen, olie) aan een fonds van Goldman Sachs en van de Australische investeerder Macquarie. Het zou bij HES gaan om een overname van 2 miljard euro, meldde persbureau Reuters eerder.

Aan openheid over verkoopprijzen en rendementen doen de private-equityfinanciers niet. Zij informeren hun eigen geldschieters. Da’s genoeg. Zij zijn private in twee opzichten. Private equity wil in het Angelsaksische jargon zeggen: ondernemingsfinanciering buiten de (public) effectenbeurs om. En ze zijn private omdat ze gesteld zijn op hun financiële privacy.

Waarom doen ze nu zulke goede zaken?

‘De slimste opkopers van Nederland’, een interview met de financiers van Waterland.

Hunkeren naar méér

financiers staan op de kruising van drie economisch-maatschappelijke trends. De eerste is de hunkering van professionele beleggers, zoals verzekeraars en pensioenfondsen naar hogere rendementen dan de huidige 1 à 2 procent op een staatsobligatie. Zij staan in de rij om een deel van hun vermogen aan private-equityfinanciers beschikbaar te stellen.

In 2017 ging het volgens adviesfirma Preqin om een recordbedrag van 453 miljard dollar in private-equityfondsen. Het vorige record was 414 miljard dollar. Dat werd geboekt in 2007, pal voor de kredietcrisis die een eind maakte aan jarenlang economisch hoogtij. Vergelijkbare cijfers voor Nederland heeft branche-organisatie NVP nog niet. Maar alles wijst op ook een Nederlandse hausse. De financiers Waterland en Egeria wisten respectievelijk 2 miljard euro en 800 miljoen euro aan te boren bij beleggers.

De rendementen waar beleggers op af komen zijn dan ook niet te versmaden. De Nederlandsche Bank becijferde vorig jaar dat pensioenfondsen gemiddeld 11,5 procent rendement maakten op binnen- en buitenlandse private-equity investeringen tussen 2012 en 2015. Dat was 1,8 procentpunt méér dan hun totale rendement. Anders gezegd: uw pensioengeld levert meer op als gevolg van deze investeringen. Over een langere periode zijn goede cijfers schaars, maar een rapport van economen van de Universiteit van Amsterdam kwam, met alle mitsen en maren, vorig jaar op een gemiddeld rendement van 24 procent op Néderlandse investeringen en zelfs 49 procent op verkochte investeringen.

De smakelijke rendementen vloeien voort uit een tweede trend die de private equitywereld in de kaart speelt: optimisme, hoge bedrijfswinsten en hoge beurskoersen. Daardoor is er een overnamemarkt vol gretige kopers: bedrijven én private-equityfinanciers.

Neem afvalbedrijf Attero. Daar zie je alles waar private-equityfinanciers dol op zijn. De verkopers in 2013 waren lokale politici, die risico’s zagen, terwijl Waterland opbrengsten zag. De nieuwe eigenaar benoemde een vrijwel nieuwe directie. Die deed een paar slimme dingen, zoals extra opslag voor afval inrichten. Daardoor „is Attero het enige afvalbedrijf in Nederland dat nooit nee verkoopt aan klanten”, zei directeur Hans Scheepers van Waterland deze week in Het Financieele Dagblad. „Dat is zeer lucratief.” Tot in China verdrongen zich de potentiële kopers. Waterland betaalde 170 miljoen euro en keerde zichzelf 223 miljoen euro dividend uit. Als verkoopopbrengst zingt het bedrag van 750 miljoen euro rond. Ervan uitgaande dat hier ook de schulden van Attero (250 miljoen, afgerond) inzitten, heeft Waterland 723 miljoen euro verdiend op een investering van 170 miljoen euro.

De lage rente die beleggers in de armen van private-equityfinanciers drijft, helpt de financiers ook bij hun overnames. Geld lénen om bedrijven te kopen is spotgoedkoop. Leningen kun je zien als een financiële polsstok: als de rente laag is, kun je meer geld lenen. Je hebt een extra lange polsstok, maar nog voldoende speling om slechte tijden te doorstaan. Met die langere polsstok ga je over een bredere sloot: je kunt meer geld bieden en op grotere transacties jagen. Neem de overname eind vorig jaar van Flora Food, voorheen de de margarinedivisie van Unilever. De Amerikaanse financier KKR betaalde 6,83 miljard euro. Die overnamesom wordt voor 83 procent gefinancierd met schulden: bankleningen en obligaties. Deze schulden komen voor rekening van Flora, die op deze manier zijn eigen overname betaalt.

Flops

De derde trend in het voordeel van private- equityfinanciers is het liberale ondernemingsklimaat. Van tijd tot tijd zijn er spectaculaire flops, als de schulden een bedrijf dreigen te verpletteren en werknemers daarvan de dupe worden. Zoals bij Heiploeg (garnalenvisserij), Estro (kinderopvang) en Van Gansewinkel (afval). Soms ontstaat politieke onvrede als blijkt dat bedrijven met private equity-aandeelhouders fiscaal verlies maken, maar bij verkoop een hoop geld opleveren. Geld dat niet fiscaal wordt belast. Maar omdat bedrijven met private-equityfinanciers hun best doen om buiten de publiciteit te blijven is niet altijd, of pas laat duidelijk hoe de stand van zaken is.

De fiscale wetgeving voor schulden is inmiddels wel strenger geworden. De pogingen in 2015 van de Tweede Kamerleden Nijboer en Groot (beide PvdA) voor strengere regels en meer invloed van werknemers zijn gestrand.

Maar ook beleggers staan soms paf. Onlangs verkocht Ten Cate (vezels, kunstgras) zijn divisie met hoogwaardige composietmaterialen. Dat leverde 930 miljoen euro op. Dat overtrof de 714 miljoen die private-equityfinancier Gilde begin 2016 had betaald aan beleggers toen Gilde heel Ten Cate van de beurs haalde.

    • Menno Tamminga