Mauritanië: Hier gaat slavernij over van moeder op zoon

Mauritanië

In Mauritanië werden vorige week twee slavenhouders veroordeeld tot hoge celstraffen. Dat werd tijd, zeggen activisten. In geen enkel ander land leven nog zoveel mensen in slavernij.

Noura Mint Mourada, 18, werd op haar vierde tot slaaf gemaakt. Foto Samuel Aranda/Hollandse Hoogte

In het duister van de Mauritaanse nacht verschijnt een witte terreinauto. De chauffeur knippert twee keer met zijn lichten en rijdt dan een slecht verlicht steegje in. Een kille oceaanwind blaast woestijnzand tegen de koplampen. Een man stapt uit. Hij draagt een blauwe boubou, het traditionele gewaad voor Mauritaanse mannen. Zijn hoofd is in een zwarte doek gezwachteld, zijn neus is tot onder de ogen bedekt. Dat moet hem zijn.

Biram Dah Abeid. Foto EPA

Om Biram Dah Abeid te spreken op de grond van zijn thuisland Mauritanie is niet zonder risico’s. Hij wordt met de dood bedreigd. Hij is talloze malen gearresteerd, net als veel van de aanhangers van zijn beweging. Hij is meerdere malen veroordeeld wegens overtreding van de wet, zelfs tot de doodstraf, waarvan hij later werd vrijgesproken. „Ik heb de moed om mijn strijd in het openbaar te voeren”, zegt hij, met priemende ogen en uitgestoken vinger. „Maar als de autoriteiten te weten komen dat we dit gesprek voeren zullen ze al uw materiaal in beslag nemen, vernietigen en u het land uitzetten.”

De meester gebruikt het geloof om dat verbond in stand te houden: wie zich los wil vechten van zijn meester, zal branden in de hel

Biram Dah Abeid

Biram Dah Abeid voert strijd tegen een fenomeen dat hier volgens de autoriteiten niet meer bestaat: slavernij. Toch zijn onlangs voor het eerst hoge straffen opgelegd aan slavenhouders: tien en twintig jaar cel. De schattingen van activisten van het aantal slaven in Mauritantië lopen uiteen: volgens de Global Slavery Index leven nog altijd 43.000 Mauritaniërs als privébezit van een ander. Volgens de organisatie die Biram Dah Abeid leidt, IRA, zijn de aantallen in werkelijkheid veel groter en leeft ruim 20 procent van de bevolking in „de hel van slavernij”. „Zo iemand kan verkocht worden, verpand worden, of afgestaan. Ze werken in het huishouden maar krijgen geen salaris. Ze hebben geen recht op onderwijs, geen recht om te trouwen. Ze worden seksueel misbruikt. Hun kinderen kennen hun vaders niet omdat de vrouwen door hun meesters als seksuele objecten worden gebruikt.”

Slavernij in Mauritanië heeft niets met de trans-Atlantische handel van eeuwen geleden te maken, of de recente toestanden in Libië waar gevangen migranten per opbod werden verkocht aan landeigenaren. Slavernij wordt hier overgedragen van moeder op zoon. Slavernij is erfelijk. De identiteit van de tot slaaf gemaakte, is onlosmakelijk verbonden met die van zijn eigenaar.

Lees ook over de migranten in Libië: Gezamenlijke actie voor ‘slaven’ Libië

Naast Abeid ligt een oude vrouw te puffen op het tapijt. Ze heeft haar ogen gesloten. Ze kreunt zacht. Ze is wagenziek van de autorit naar dit geheime adres. Haar naam is Salma, „slaaf van de familie Grayve”. Een andere naam heeft ze niet. Ze komt uit Chagar, een dorp ten zuidoosten van de hoofdstad Nouakchott, in het grensgebied met Senegal.

Haar zoons Bilal en Malek werden daar in gevangenschap geboren, verwekt door haar meester. „Malek was degene die de vrijheid wilde”, vertelt ze, zwaar ademend. „Het was zijn beslissing. Hij heeft me overtuigd.” Hun slavenhouder reageerde furieus toen hij lucht kreeg van hun plannen: „Er is niets daar buiten. Je bent niets. Je zult verhongeren,” dreigde hij.

Bilal is nu 35. Hij kreeg pas door dat hij slaaf was toen hij in gesprek raakte met leeftijdgenoten in de straat voor het huis van de slavenhouder. „Zij vertelden me dat ik een slaaf was. En dat ik me moest bevrijden. Ik was doodsbang.” Dat was in 2013.

De dochter van een ontsnapte slaaf in de deuropening van een huis van de anti-slavernij beweging IRA.
Foto Samuel Aranda/Hollandse Hoogte

Branden in de hel

Wie in de islamitische republiek Mauritanië de slavernij in twijfel trekt, trekt de islam in twijfel. „De meester gebruikt het geloof om dat verbond in stand te houden: wie zich los wil vechten van zijn meester, zal branden in de hel”, zegt Abeid. In Mauritanië zit slavernij in het hoofd. „Op het moment dat mensen genoeg moed hebben verzameld om bij ons aan te kloppen voor hulp, zijn ze al aan hun vrijheid begonnen.”

Abeid benadrukt niet tegen de islam te vechten, maar tegen de interpretaties van de islam waarmee Mauritaanse religieuze leiders en slavenhouders slavernij legitimeren. In 2014 verbrandde hij publiekelijk een stapel boeken waarin Koranteksten worden geïnterpreteerd als een rechtvaardiging van slavernij. Diezelfde dag gingen honderden demonstranten de straat op om zijn dood te eisen. President Ould Abdel Aziz, die in 2008 per staatsgreep de macht greep, sprak de natie toe en beloofde Abeid de doodstraf op te leggen. Hij zat vier maanden in de dodencel op beschuldiging van „landverraad” en werd pas vrijgelaten na grote druk van de Europese Unie.

Ik ben bereid te sterven voor mijn zaak

Biram Dah Abeid

In Mauritanië, het land van de Moren, botst sub-Sahara Afrika op het islamitische noorden van het continent. Hier regeert de minderheid van witte moren, de beydane, over de meerderheid van zwarte moren, Afro-Mauritaniërs en de haratin, de nazaten van bevrijde slaven. Meer dan 1.200 jaar geleden trokken Arabieren en berbers vanuit Noord-Afrika naar het zuiden. Zij brachten de islam naar de Sahara. Ze bekeerden donkere Afrikanen tot hun geloof en maakten de ongelovigen, de kafrs, tot slaaf in hun nomadenhuishouden of tot knechten op hun kameelreizen door de Sahara.

Zo was slavernij al diep in de Mauritaanse maatschappij geworteld toen de eerste Portugezen in 1431 voet aan wal zetten. Zij zetten zowel witte als zwarte Moren als slaaf op hun boten naar de koloniën. Het belangrijkste slavenfort werd ruim twee eeuwen later door Nederlandse koopmannen van de VOC veroverd. Maar volgens de Mauritaanse historicus Mohamed Ould Bouleiba Ben Ghraab zijn er geen documenten die bewijzen dat de Nederlanders eveneens Mauritaanse slaven verhandelden. „Volgens hun eigen logboeken verhandelden de Hollanders alleen gom, geen slaven”, zegt hij. Binnen Mauritanië ging de slavernij daarna nog eeuwen door.

In 1981 werd Mauritanië het laatste land ter wereld dat slavernij verbood. Het veranderde weinig. Slavenhouders werden niet vervolgd. In 2007 nam het parlement onder internationale druk een wet aan waarmee overtreders van de wet kunnen worden vervolgd. Sinds 2015 kan iemand die is veroordeeld voor het houden van slaven een maximale celstraf van twintig jaar krijgen. Maar ondanks die strengere wetgeving, blijven president Aziz en zijn ministers volhouden dat slavernij in Mauritanië niet bestaat.

Heersende klasse

„Dat is de grote paradox”, zucht advocaat Mohamed Elid in zijn kantoor in het centrum van Nouakchott. „Waarom zou je al die wetten en verdragen tekenen als je tegelijkertijd beweert dat slavernij niet bestaat?” Hij heeft wel een vermoeden. Slavernij komt in alle kasten van de Mauritaanse maatschappij voor, maar de meeste slavenhouders komen uit de heersende klasse, de beydane. Een beydane die zelf zijn handen vuil maakt, daalt in de sociale achting. Een slaaf beschermt hem tegen die schande. Ook al is de kaste van de haratin, de bevrijde slaven, in de meerderheid (40 procent van de bevolking), zij bekleden nauwelijks hoge posities. In het 140-koppige parlement zijn slechts elf parlementsleden haratin. Een haratin die president wordt? De advocaat lacht: „Uitgesloten”. De raadsman is zelf haratin.

Hij heeft kasten vol dossiers van bevrijde slaven die hun voormalige bazen willen aanklagen. Hij is verbonden aan SOS Slavernij. Deze actiegroep helpt slaven voor en na hun bevrijding, maar schuwt de gewelddadige confrontatie met de autoriteiten. De strijd tegen slavernij in Mauritanië wordt geholpen door de verstedelijking die na de grote droogte eind jaren zestig op gang kwam. „Je ziet dat slavernij vooral in afgelegen gebieden plaats vindt”, zegt de advocaat. „In de stad is het veel minder geaccepteerd. Hier worden we geholpen door klimaatverandering.”

Biram Dah Abeid gelooft dat niet. „Slavernij vindt plaats in de sjiekste wijken van de hoofdstad, in de huizen van zakenmannen, doktoren, rechters en ministers, mensen die aan de grote universiteiten van Europa en de Verenigde Staten hebben gestudeerd.” De houding van SOS Slavernij en andere pacifistische activisten vindt hij te afwachtend, te gelaten. Hij is trots op zijn militante methoden. Vrijwel maandelijks zijn de activisten van zijn beweging op straat en worden ze gearresteerd. Ook deze maand weer. Ze houden hongerstakingen en protesten voor politiebureaus, voor rechtbanken en de huizen van vermeende slavenhouders om hun arrestatie te eisen. Toen Abeid bij een van die protesten door een agent werd weggeduwd gaf hij hem een kopstoot. Zo wist hij zeker dat hij naar de gevangenis moest. „Ik wist dat mijn tijd in de gevangenis de aandacht op onze strijd zou vestigen. Je moet aanvallen om gehoord te worden. Ik neem dat risico heel bewust. De anderen leven liever in vrede. Maar ik ben bereid te sterven voor mijn zaak.”

Leden van de IRA demonstreren tegen de laksheid van de politie.
Foto Samuel Aranda/Hollandse Hoogte

Die verbeten strijd gaat al lang niet meer alleen over slavernij. Abeid vecht tegen het „racisme van de staat”. Hij wil de zwarte Mauritaniërs verenigen tegen de berberklasse die sinds de onafhankelijkheid aan het roer staat. Biram Dah Abeid heeft grote politieke ambities. Hij wil president worden en gelooft dat hij kans maakt bij de verkiezingen van volgend jaar. Voor de machthebbers is hij daarmee een gevaar voor de eenheid van het land geworden. „Ik ben niet de politiek in gegaan voor de politiek, maar voor mijn anti-slavernij missie. Mijn opponenten zijn vastberaden me te vernietigen, me te demoniseren.” Nooit wist een haratin president te worden van Mauritanië. Maar hij is vastbesloten. „Ik zal president worden van dit land. Dat is onvermijdelijk. Alleen de dood kan mij weerhouden.”

Met medewerking van Tjeerd Bijman.
    • Bram Vermeulen