Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Delphi

In de nieuwste Voetbal International staat een schitterend verhaal van Geert-Jan Jakobs. Over Jorgos Zagkotsis, uitbater van Grieks restaurant Delphi te Arnhem. Aanleiding was de sluiting van het etablissement per 1 mei aanstaande. Als reden werd opgegeven dat Jorgos het horecaleven te zwaar vond worden, maar ik neem aan dat „de honden van de Belastingdienst” ook een vinger in de pap hebben gehad.

Delphi, schuin tegenover het station, deed jaren dienst als het onofficiële spelershome van Vitesse. Hier werden de spelers met liefde bijgevoederd en vetgemest. In mijn tijd als Vitesse-watcher deed ik er interviewtjes met spelers, als ik de gesprekken later terugluisterde hoorde ik vooral Jorgos. Jorgos die uitlegde hoe Vitesse moest spelen („Als een paard”); Jorgos die het had over „Klonterman” als hij Bert Konterman bedoelde en Jorgos die vloekend een schaal vlees op tafel zet. Het verhaal in Voetbal International begint geweldig als Jorgos schreeuwend terugkijkt op zijn stamgasten en opsomt wat ze het liefst aten.

‘Blinde (Remco van der Schaaf): pasta, wijntje erbij!’

‘Che Guevara (Guram Kashia): salade met stukkie kip!’

‘Lelijkerd (Theo Janssen): lam, octopus, alles eigenlijk!’

‘Mafkees (Piet Velthuizen): altijd tzatziki kipfilet!’

‘Dikzak (Dejan Curovic): vlees, vlees, bergen vlees!’

In gedachten voegde ik daar nog ‘Bolle’ (ook Theo Janssen), ‘Balletje’ en ‘kutje’ (Ester Bal): ‘mafkees’ (ik), ‘psychopaat’ (Jan Sommerdijk van Omroep Gelderland), ‘The Godfather’ (Merab Jordania) en ‘kutkameel’ (voor al zijn Turkse en Marokkaanse keukenpersoneel) aan toe.

De laatste keer dat ik er voor werk was, nam Theo Janssen afscheid als voetballer. We – Jorgos, kutje en mafkees – zaten al een uur met de vingers van een schaal te eten toen de bolle eindelijk de deur opengooide.

„Wat heb jij gisteren allemaal in dat ei geflikkerd?”, vroeg hij aan Jorgos, na een korte omhelzing. „Ik heb, ik zweer het, zes uur op de plee gezeten.”

Jorgos: „Jij wilde ei met alles erop en eraan, dan ga ik dat maken. Kan jouw lichaam niet tegen groentes of zo?”

Theo: „Groentes? Je had er van alles ingegooid, ook friet.”

Jorgos: „Dat is toch je lievelings? Ik dacht: die is gestopt, die hoeft nergens meer op te letten. Ik verwen je.”

Altijd als ik vanaf het station de stad in liep zat hij op zijn terras, er was geen ontkomen aan. Vaak korte gesprekjes, waarbij hij je al pratend bijna naar binnen trok.

Ik: „Hoe gaat het?”

- „Vieze vuile hoerenzooi.”

Ik: „En verder?”

- „Kom eten, eet dan. Of moet je alweer weg?”

Ik moest altijd weg, maar door dat stuk van Geert-Jan Jakobs was ik er weer helemaal terug. Ik liep er soms met een boog omheen, maar Jezus wat ga ik Grieks restaurant Delphi missen.

    • Marcel van Roosmalen