Opinie

    • Michel Krielaars

De weduwe van Montesquieu

De legendarische uitgever Theo Sontrop had haar in 1974 nog zo gewaarschuwd: ‘U moet geen vertaler worden. Die raken aan de drank en belanden in de goot.’ Het lot beschikte anders. Bijna een halve eeuw later – op 7 maart jl. – ontving Jeanne Holierhoek de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2018 voor haar vertalingen uit het Frans.

Afgelopen woensdagavond vierde ze haar bekroning (die vergezeld gaat van 35.000 euro belastingvrij) in het Amsterdamse Spui25 met zo’n honderd collega-vertalers. En natuurlijk ging het over het vak, waarvoor Holierhoek koos omdat het ‘iets artistiekerigs’ had, om er al zwoegend achter te komen dat vertalen toch in de eerste plaats een slecht betaald ambacht is waar je heel hard voor moet werken.

Naarmate de avond vorderde kreeg ik steeds meer zin om zelf een boek te gaan vertalen. Zeker toen Holierhoek in een video van het Prins Bernhard Cultuurfonds, dat de prijs uitreikt, zei: ‘Als ik begin aan een boek, dan begeef ik me in de wereld waarvan ik niet weet hoe die eruit ziet. Langzaam verover je die wereld die erin tot uitdrukking wordt gebracht. Je haalt er zelfs nog meer uit dan de schrijver erin heeft gezien.’ Vertalen wordt zo een vorm van dieplezen en niets is leuker dan dat.

Montesquieus De l’esprit des lois (De geest van de wetten) is zo’n boek, vertelde ze even later: ‘Het is een universele tekst en hij schrijft zo leuk! Ik ben er anderhalf jaar mee bezig geweest. Aan het eind had ik het idee dat ik zijn vriend was geworden.’ Dat laatste viel een lezer ook op. ‘Ik ontving zelfs een brief, gericht aan de weduwe Montesquieu.’

Ook roemde Holierhoek de computer, die sinds de jaren tachtig haar leven aanmerkelijk heeft verlicht. En juist die bekentenis voerde me terug naar het door Jan Paul Hinrichs uitgegeven boekje Brieven aan De Lantaarn van vertaler August Willemsen (1936-2007). Hinrichs benaderde Willemsen – een laureaat van de Nijhoffprijs die wel aan de drank raakte en in de goot belandde – op 24 september 1980 met het verzoek om wat gedichten van de Braziliaan Joao Cabral te vertalen voor zijn literaire tijdschrift De Lantaarn. Pas op 13 februari van het volgende jaar was die vertaling gereed, maar toen gebeurde er iets dramatisch: de zending was zoekgeraakt bij de post, zo liet Willemsen Hinrichs op 7 maart 1981 per brief weten. Gelukkig had hij op een doorslag kopieën gemaakt, zodat de productie van het tijdschrift niet in gevaar kwam. Wel stuurde hij op 23 maart per post nog wat correcties. Een halfjaar na het eerste briefcontact in het pre-computertijdperk kon de kopij naar de drukker.

De leukste brief dateert uit 1983. Willemsen maakte toen voor De Lantaarn een vertaling van het verhaal ‘Het uur en ogenblik van Augusto Matraga’ van een andere Braziliaan, Joao Guimaraes Rosa. Daarover stelt hij op 16 juni aan Hinrichs de retorische vraag waarom het geweld in dat verhaal ‘in het begin slecht is en aan het einde goed’. Om vervolgens op te merken dat Rosa Arabisch kende en daarmee speelde in zijn eigennamen. Zo betekent het Arabische woord ‘mitraqa’ hamer, en het Portugese werkwoord ‘matracar’ ratelen of roffelen. Matraga is volgens Willemsen dus ‘een geschikte naam voor iemand die met stokslagen naar de hemel wil’. Als een superieure vertaler pluist hij zo tot in het kleinste woord de ware betekenis van dat verhaal uit. En precies dat is de kern van het vertalen. Jeanne Holierhoek weet het als geen ander.

    • Michel Krielaars