Opinie

Angst en haat zijn ook comfortabel

Samenleving We willen allemaal dialoog en verbinding, schrijft – maar o wee als iemand er echt werk van maakt.

En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan?

Mattheus: 5:46-47

Toen Martin Luther King op 4 april 1968 werd doodgeschoten in het Lorraine Motel, te Memphis, Tennessee, was ik acht jaar oud. Ik herinner me de stille ontzetting van mijn moeder ’s ochtends aan het ontbijt. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging van dominee King en zijn medestrijders ging aan ons in het polderdorp Zwanenburg grotendeels voorbij, maar ook voor ons was King een symbool van het gelijkheidsideaal. Ik groeide op in de overtuiging dat we ons best moesten doen elkaar als gelijken te zien. Die droom leek in een klap tenietgedaan. De haat, zo leek het, had gewonnen.

Dat was niet zo. De droom bleek daarna juist springlevend. Het feminisme beleefde een nieuwe golf. In Stonewall in New York kreeg de strijd voor homorechten een gezicht. Overal, lokaal, nationaal en internationaal eisten minderheden gelijkheid op.

Het ging niet zonder slag of stoot. Er werd meestal een harde strijd geleverd. De tegenstand was vaak meedogenloos. Maar overal werd, dachten we, stukje bij beetje vooruitgang geboekt.

Ook de Nooit weer!-gedachte, waarmee na de Tweede Wereldoorlog de Europese samenwerking werd ingezet, bleek nog uiterst vitaal. We zouden langzaam maar zeker onze beperkte groepsgeest achter ons laten. Gaandeweg zouden we deel gaan uitmaken van een nieuw soort gemeenschap, gebaseerd op gedeelde menselijkheid. Hoe die gemeenschap er precies zou uitzien, en hoe het zou voelen om daar deel van uit te maken, dat bleef altijd verdacht vaag. Onze overtuiging was er niet minder om.

Het was, voor ons en veel andere kinderen van de sociaal-democratie, geen activistisch idealisme. Alles bewoog gewoon dezelfde kant op, met ons erbij. Er was geen duidelijke stip aan de horizon. Daarom hadden we zo laat door dat het streven naar gelijkheid en broederschap langzaam maar zeker verflauwde. Op een gegeven moment leek het alsof alle doelen vanzelf bereikt zouden worden. Nederland is af, klonk het om mij heen.

Wat in de jaren daarna langzaam zichtbaar werd, was een paradox die maar weinig mensen hadden voorspeld. Het proces van globalisering, dat de mensheid gelijkschakelde, had ons met elkaar in contact gebracht, maar tegelijk ontheemd gemaakt. Globalisering had oude, traditioneel geordende gemeenschappen van hun ankers geslagen. Dat keerde zich tegen het ideaal van een gedeelde menselijkheid.

Van die droom uit mijn jeugd is nu niet veel meer over, lijkt het.

En steeds vaker worden individuele verlangens en belangen vereenzelvigd met die van het collectief, de groep. De eigen groep, de gemeenschap, het geloof, de natie. Identiteit.

Nieuwe identiteitspolitiek benadrukt de onoverbrugbare verschillen tussen mensen. Kritiek op schending van mensenrechten wordt steeds vaker als een onverdraaglijke inmenging gezien, als een aanslag op trots en eigenwaarde van de natie. In plaats van gelijkheid wordt onvervreemdbare uniekheid benadrukt.

Kijk ook: vijftig jaar Martin Luther King in beeld

Toen ik vorig jaar werkte aan een lang essay over de erfenis van de drie grote vrijheidsstrijders van de twintigste eeuw, Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela, stuitte ik in een biografie van King op iets dat me spontaan in de lach deed schieten. De mensenrechtenadvocaat Burke Marshall, die in de jaren van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging voor het ministerie van Justitie werkte, had een parafrase van het zalvende Blessed are the peacemakers, for they shall be called children of God (Mattheus 5:9) ingelijst in zijn kantoor hangen.

Zijn versie: Blessed are the peacemakers, for they shall catch hell from both sides.

Ik moest lachen, vanwege de broodnuchtere knipoog. Vredestichters, verzoeners, wie het waagt met een witte vlag de oversteek naar het andere kamp te maken, krijgt het van twee kanten hard te verduren. De vredestichter breekt met de cyclus van achterdocht, woede en geweld, en juist dát wordt hem of haar door alle partijen niet in dank afgenomen.

Onverzoenlijk gedrag

Iedereen wil dialoog, begrip, verbinden – totdat iemand er echt werk van maakt. Want afkeer en haat voelen is ook comfortabel, het geeft houvast en zekerheid. Wie de heldere scheidslijnen eigenhandig negeert, neemt de strijdende partijen ook iets van hun waardigheid af – en maakt ze bovendien beschaamd over hun eigen onverzoenlijke gedrag. Woede geeft het leven immers ook betekenis.

Het eerste deel van de Bergrede van Jezus kun je lezen, ook, of misschien juist, als je zoals ik niet christelijk bent, als een opdracht tot extreme zelfontzegging. Alle dingen die een mens van nature het liefst zou vermijden, pijn, verdriet, vervolging, het mikpunt zijn van hoon en spot, worden hier als essentieel gepresenteerd. Dat waar je instinctief voor terugschrikt, moet je, zo wordt ons voorgehouden, juist opzoeken. Verlies jezelf, zegt Jezus, breek je ego af. Juist de ervaringen die ons het meest pijn doen en ellende bezorgen, zijn de ervaringen die ertoe doen, die ons bewust maken en ons in staat stellen inzicht in onszelf en de wereld te krijgen. Niet dat ze ons niet zullen beschadigen, ons leven lang pijn kunnen blijven doen. Maar het is niet zo dat ze daarom niet van waarde zijn. Integendeel.

Hetzelfde geldt voor eigenschappen en gedrag dat maatschappelijk als zwak, pijnlijk of ronduit suffig wordt gezien: bescheidenheid, nederigheid, gebrek aan geldingsdrang. Ook hier spoort Jezus zijn gehoor aan deze radicaal anders te waarderen.

Het probleem met zulke boodschappen is dat ze, ondanks hun radicale inzet, zo gauw zoetsappig worden. Het is zo gemakkelijk ze met de mond te belijden, zonder dat ze impact hebben op ons gedrag. Het is gewoon te veel gevraagd, mijn ego laat zich niet zomaar afbreken! Denk aan wat Martin Luther King, even humaan als radicaal, in een van zijn formidabele preken zei, toen hij over noodzaak van non-conformisme sprak. „Succes, erkenning en conformisme zijn de gevleugelde woorden van de moderne wereld, waarin iedereen lijkt te hunkeren naar de verdovende veiligheid van bij de meerderheid horen.”

Wie laat zich zijn conformisme zomaar afnemen? Het gevaar met de boodschap van Jezus is dat die zelf een vorm van conformisme wordt.

Lees ook: een fragment uit Heijnes essay ‘Wereldverbeteraars’

In Wereldverbeteraars beschrijf ik hoe de huidige machthebbers in de Verenigde Staten, India en Zuid-Afrika de nagedachtenis van Gandhi, King en Mandela eren, huldigen en gebruiken voor politieke doeleinden, terwijl ze er ideeën op nahouden die vaak rechtstreeks tegen hun gedachtegoed ingaan – ideeën die twisten aanwakkeren, de verschillen tussen mensen als onoverbrugbaar voorstellen, die essentialistisch zijn in plaats van universalistisch. Het radicale gedachtegoed is dan niet alleen ongevaarlijk gemaakt, het wordt ook misbruikt om een volkomen tegengestelde boodschap verteerbaar te maken. Men spreekt met een gespleten tong.

Of, en dat is wat mij betreft niet minder kwalijk, je omarmt de boodschap van de Bergrede als een blije humanistische opdracht.

Gedeelde menselijkheid

Humanisten maken van de mens te vaak een veilige abstractie. Geen individu, met al zijn mooie en lastige eigenschappen en innerlijke tegenstrijdigheden, maar De Mens. Of de Ander. Het is niet moeilijk zich in de ander als abstractie te verplaatsen, hem een al even abstracte hand te reiken. De vluchteling. De zwerver. De immigrant. Maar in de praktijk blijkt het dan wel degelijk om individuen te gaan, met hun specifieke opvattingen en eigenaardigheden, net als iedereen. De blijmoedige omarming van onze gedeelde menselijkheid blijkt in de praktijk altijd een stuk lastiger.

De misvatting: het feit dat wij allemaal mensen zijn, en in de kern niet van elkaar verschillen, betekent nog niet dat er zoiets is als de Mens, dat alle verschillen tussen ons verdwijnen als sneeuw voor de zon, zodra we elkaar maar diep in de ogen kijken. Dat is wat de ultraconservatieve denker Joseph de Maistre bedoelde, toen hij de Verlichtingsadepten van zijn tijd hoonde: „Ik ken Russen, Italianen en Duitsers. Maar de Mens heb ik nog nooit ontmoet.”

Ik zie de Bergrede niet zozeer als een aanbeveling van goed leven, of zelfs als een ethische opdracht die ergens in een andere wereld dan deze beloond zal worden met zaligheid, maar eerder als een existentiële aansporing.

Socrates zei dat het leven dat niet onderzocht is, niet waard is om geleefd te worden. Jezus, zoals ik zijn woorden interpreteer, lijkt te zeggen dat een mens die het zichzelf niet moeilijk maakt, die niet tegen zijn eigen aandriften durft in te gaan, geen waardevol leven leidt. In extreme, tegendraadse betrokkenheid zelf ligt de betekenis van het mens-zijn. Een mens is nooit meer mens dan wanneer hij zichzelf geweld aandoet, wanneer hij tegen zijn eigen instincten van veiligheid en zelfbehoud in handelt, wanneer hij zijn egocentrische streven naar eigenwaarde en roem eigenhandig onderuit haalt, wanneer hij zijn vijand tegemoet loopt en zich engageert met wat hij haat. Het vreemde is geen bedreiging, maar noodzaak. Alles wat mij vreemd is, is gewenst. Help! Hoe radicaal wil je het hebben? Het is een opdracht die recht tegen onze instincten ingaat. We zijn er van nature slecht toe uitgerust.

Wij-zij denken

In de vierdelige documentaire Onbehagen, die vanaf 10 april wordt uitgezonden, zegt de bekende Amerikaanse bioloog en neurowetenschapper Robert Sapolsky dat het wij-zij denken diep in onze hersenen verankerd ligt. Vrijwel ieder mens, een enkele heilige uitgezonderd, maakt onderscheid tussen de groep waartoe hij zelf behoort en groepen die hem vreemd zijn, waartegen hij zich afzet. De cynische politieke consultant en Trump-adept Roger Stone heeft het tot zijn vuistregel gemaakt: „Haat motiveert mensen meer dan liefde.”

Sapolsky geeft het voorbeeld van witte proefpersonen die foto’s van gezichten voorgeschoteld krijgen – en wanneer ze een zwart gezicht zien, direct angst en dreiging voelen. Maar, zegt Sapolsky, laat dezelfde mensen foto’s zien van mensen met petjes van hun favoriete baseballclub en andere mensen met petjes van concurrerende teams, en het onderscheid tussen wij en zij verplaatst zich meteen naar de petjes – huidskleur speelt dan geen rol.

Het onderscheid tussen wij en zij, zegt Sapolsky, zit in de mensen gebakken, maar je kunt het op onschuldige manieren aanmoedigen en minder onschuldige. Als je het verschil tussen wij en zij maar vaak genoeg benadrukt, en het als onoverkomelijk voorstelt, ben je al half op weg naar de genocide, stelt de bioloog. Als we ons hiervan bewust worden, kunnen we niet alleen een hoop ellende voorkomen, denkt hij, we kunnen dat inzicht ook gebruiken om beter met elkaar samen te leven.

Manipulatie, ten goede en ten kwade

Bewustzijn van onze biologische aard levert ons een hoop nieuwe inzichten op, maar het maakt ons ook gevoelig voor manipulatie, ten goede en ten kwade. Nieuwe technologie, gecombineerd met nieuwe kennis over hoe onze hersenen werken, maakt het steeds gemakkelijker ons gedrag en opvattingen te sturen. De rede, dat houvast waar de Verlichting op inzette als middel om onszelf te bevrijden, blijkt slechts een beperkte rol in ons handelen te spelen. En de verleiding voor commercie, overheid en politiek om daar gebruik van te maken, wordt almaar groter. Zoals het recente schandaal van Facebook en Cambridge Analytica laat zien, leven we steeds meer in een wereld waarin we bevestigd worden in onze aanvechtingen en opvattingen, en tegelijk achter de schermen zo veel mogelijk gestuurd worden. „Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? […] En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan?”

Er is niets comfortabels aan deze woorden. Ze klinken als een smalende aanklacht tegen de mens die het zichzelf in alle opzichten gemakkelijk wil maken, die zich koestert in zijn gevoelde verwantschap met gelijkgestemden, en in permanent gedeelde verontwaardiging over de ander. Jezus richt zich tegen mensen die geriefelijk in hun bubbel zitten, tot dezelfde sociale laag behoren, mensen die dezelfde mening hebben als wij, mensen die het bij voorbaat met elkaar eens zijn, mensen die elkaar aan één stuk door bevestigen in wat ze toch al vinden.

Die honende aansporing van Jezus is van alle tijden, maar ze lijkt bij uitstek op onze tijd gericht, tegen ons, tegen mijzelf, nu. Zoveel in onze samenleving is erop gericht het ons gemakkelijk te maken en hier maant een stem van ruim tweeduizend jaar geleden ons om precies het tegenovergestelde te doen, niet uit recalcitrantie, niet om onszelf een goed gevoel te geven, niet om beloond te worden in een vaag hiernamaals. Hier is een stem die zegt dat als wij het onszelf niet moeilijk maken, het ons flink moeilijk gemaakt zal worden. Wanneer je je niet inspant om je daadwerkelijk in anderen te verplaatsen, je niet in gedachtewerelden probeert in te leven die niet de jouwe zijn, zal je zelf, zegt Jezus, minder mens zijn. Je eigen leven zal dan even comfortabel als nietszeggend zijn. Die boodschap is in geen enkele tijd geruststellend. Nu is hij even radicaal als noodzakelijk.