‘Waarom sta ik eigenlijk niet in het blauwe boekje?’

Het rode & blauwe boekje Families die al generaties lang vooraanstaande posities hebben, mogen in ‘het blauwe boekje’. Eduard Schaepman deed twee jaar onderzoek om zijn familie daarin te krijgen.

Eduard Schaepman: „Het patriciaat is iets waar je trots op bent.” Foto Merlijn Doomernik

Toen de vader van Eduard Schaepman (55) tien jaar geleden op sterven lag, had deze nog één laatste wens: dat de familie weer zou worden opgenomen in ‘het blauwe boekje’, waarin stambomen van Nederlandse patriciërs staan genoteerd.

Schaepman wist dat hij uit zo’n familie kwam: een van zijn voorvaderen was de oprichter van de Rooms-Katholieke Staatspartij, een andere oudoom was aartsbisschop geweest. Maar het blauwe boekje? Daar had hij nog nooit van gehoord.

Zijn vader doelde op een boekje van vijftien bij elf centimeter en een paar duimen dik, met op de voorkant een gouden leeuw. De officiële naam is Nederland’s Patriciaat, dat bijna jaarlijks verschijnt met nieuwe stambomen van vooraanstaande families en een lijst met alle patriciërsgeslachten van Nederland.

De stambomen beschrijven de levenslopen vanaf de eerste voorouder tot nu. Denk aan bekende families als Van Eeghen, Van Lennep, Buma en De Monchy. De stambomen zijn versierd met een familiewapen en historische portretten. De reeks begon in 1910 als tegenhanger van het Nederland’s Adelsboek of ‘het rode boekje’, een lijst van alle adellijke geslachten.

In tegenstelling tot het rode boekje – je bent van adel of niet – moet je voor opname in het patriciaat aan een aantal criteria voldoen: je familie moet in de afgelopen honderdvijftig jaar, dus zo’n zes generaties achter elkaar, vooraanstaande maatschappelijke posities hebben gehad, zoals in het openbaar bestuur, het bedrijfsleven, de rechtspraak, kerk, onderwijs, de krijgsmacht of de wetenschap.

Families kunnen nog altijd nieuw in het blauwe boekje worden opgenomen. Ze leveren hun archief aan, de redactie bepaalt of de familie in aanmerking komt. Tot 2015 was de redactie in handen van het Centraal Bureau van Genealogie, dat stopte met alle papieren uitgaves. Nu wordt het gedaan door Historisch Bureau De Clercq en uitgeverij Verloren, onder toezicht van een stichtingsbestuur: afgelopen februari brachten zij het eerste deel in hun beheer uit. Op basis van overleg en wetenschappelijke richtlijnen – maatschappelijke posities, invloedrijke netwerken en hun betekenis voor Nederland – wordt bepaald of een familie vooraanstaand genoeg is.

Bezoek van Hoe heurt het eigenlijk?

In het blauwe boekje komen is wat Eduard Schaepman na zijn vaders dood wilde. Zijn familie was in 1914 en 1940 al eens in de lijst opgenomen, maar de jongste generaties nog niet. Hij huurde een genealoog in voor het archiefonderzoek, zelf ging hij op zoek naar nog levende familieleden.

Tijdens zijn familieonderzoek krijgt Schaepman bezoek van Jort Kelder voor een item over het blauwe boekje in het televisieprogramma Hoe heurt het eigenlijk? In zijn witgepleisterde vrijstaande woning net buiten Blaricum hangen schilderijen van wollige schapen – van oorsprong waren de Schaepmannen herders.

In de studeerkamer, vlakbij portretten van zijn voorvaderen, vraagt Kelder wie de belangrijkste Schaepman was. De patriciër in spe, in het dagelijks leven vastgoedondernemer, wijst naar de katholieke staatsleider Herman Schaepman. „Hij heeft ook een veel langere Wikipedia-pagina.”

Kelder: „En heeft Eduard Schaepman al een Wikipedia-pagina?”

Nog niet, vertelt Schaepman: „Ik moet mij nog echt waarmaken om in het patriciaatsboekje te komen.”

Foto Foto Merlijn Doomernik

Volgens eindredacteur van het blauwe boekje Daan de Clercq is het niet zo dat alle geslachten automatisch worden geüpdatet: „Het initiatief komt van de families zelf. Zij leveren de familiegegevens aan die wij controleren en uitwerken tot stambomen.” De families betalen voor dat redactiewerk: zo’n honderddertig euro per pagina, inclusief het verplicht afnemen van een aantal boekjes. De boekjes hebben een oplage van ongeveer duizend, vertelt De Clercq. Die liggen in de grotere bibliotheken en worden verkocht aan families en verzamelaars.

„Families kunnen hun plaats in het boekje niet kopen, de criteria worden strikt nageleefd. Als ik dat niet doe, verliest de reeks zijn waarde.” Het komt voor dat sommige families worden geweigerd, zegt De Clercq. „Het grootste struikelblok is de periode waarin de familie vooraanstaand werd. Soms zijn de nieuwe generaties van een familie vooraanstaand, maar was dat in 1870 nog niet.”

Niet iedereen wil in het blauwe boekje

Sommige families, die wel in aanmerking zouden kunnen komen omdat ze zes generaties al vooraanstaand zijn, staan niet in de boekjes. „Dan was er geen interesse vanuit de familie, of kwam het er niet van. Sommige families willen liever niet naar buiten treden.”

Zelf staat hij ook in het blauwe boekje. Zijn bet-betovergrootvader was Willem de Clercq, directeur-secretaris van de Nederlandse Handelmaatschappij. Diens zoon had landerijen aan de rand van de Haarlemmermeerpolder. Nu huizen op het landgoed verschillende bedrijfjes en is er fruitteelt. Ook het historisch bureau van Daan de Clercq is er gevestigd, in een voormalige schuur. Binnen hangen portretten van vroege voorvaderen, op zolder ligt twaalf meter aan familiearchief. Achter zijn bureau staat een kast vol rode en blauwe boekjes.

Lees ook dit interview met Geert Mak: Puissant rijke families zijn vaak zeer zuinig

Niet alle patriciërs hebben alle boekjes prominent in de kast staan. Voor Eric van ’t Hoff (57) bijvoorbeeld is het boekje niet meer dan een aardige bijkomstigheid. Maar hij is wel trots op de familiegeschiedenis. Hij is onder anderen familie van de – eerste – Nobelprijswinnaar voor scheikunde, Jacobus van ’t Hoff.

In de jaren 90 nam een oudtante het initiatief om opnieuw in het boekje te komen, daarna is er in 2001 nog een familiereünie geweest. Van ’t Hoff : „Voor de grap zeg ik weleens dat de patriciërsgenen en ondernemersgeest van onze voorvaders worden doorgegeven, maar ik loop er niet mee te koop. Veel vrienden weten niet eens dat ik patriciër ben.”

Huwelijkskandidaten vinden

Handig is wel dat Van ’t Hoff zijn familiegeschiedenis bij de hand heeft. „Soms contacteren mensen mij die ook Van ’t Hoff heten, daar zijn er veel van in Nederland. Door het boekje kan ik gelijk vaststellen of we familie zijn of niet.”

In vroegere tijden gebruikten families de boekjes intensiever, bijvoorbeeld om huwelijkskandidaten te vinden. De Clercq: „Mijn halfbroer ging eens op jonge leeftijd bij een gezin in een Amsterdams grachtenpand spelen. Opa woonde daar ook en had de gewoonte te vragen: van wie ben jij er eentje? Dan zocht hij dat op in de boekjes.

Nu gebruiken families het boekje om de familiehistorie vast te leggen of banden aan te halen. „Families die elkaar uit het oog zijn verloren, kunnen elkaar terugvinden, of netwerken weer uitbouwen.”

Genealogie en stamboomonderzoek zijn populair, en niet alleen bij de bovenlaag: archieven zitten vol met amateurhistorici die hun familiegeschiedenissen uitpluizen. Volgens De Clercq past het blauwe boekje daarbij: „Het is een menselijke drijfveer om, ook in tijden van individualisme, onderdeel te willen zijn van een groter verhaal.”

Tienduizenden mensen graven via brieven, schoolrapporten en foto’s in hun familiegeschiedenis. Zo maken ze een soort ‘vriendenboek van dooien’.

Ook Eduard Schaepman ondervond dat. Tijdens de zoektocht naar zijn familie ontdekte hij dat alle Schaepmannen – het is een weinig voorkomende familienaam – met elkaar verbonden zijn. „Een Schaepman die Miss Australia was, schapenboeren in Nieuw-Zeeland. En er waren lijntjes naar familieleden in de bergen van Zwitserland.”

Na twee jaar onderzoek bleken ook de laatste generaties van het Schaepman-geslacht vooraanstaand genoeg voor heropname in het blauwe boekje: zijn vader was een hoge bestuurder bij de voormalige Nederlandse Handelsmaatschappij, maar ook Ereconsul van België en voorzitter van het Rode Kruis.

Ik vond een Schaepman die Miss Australia was

Eduard Schaepman

Schaepman deed het voor zijn vader, maar het boekje werd bijzaak. „Ik heb zo veel ontdekt, ik ontmoette nieuwe familieleden. We hebben nu een Facebook-groep. Zo kwam ik er achter dat de zegelring die de rooms-katholieke politicus Herman Schaepman (1844-1903) van de paus kreeg, nu in Nieuw-Zeeland is.”

Toch staat het blauwe boekje op een mooie plek in de boekenkast. „Het patriciaat is iets waar je trots op bent. Mijn overgrootvader mocht toentertijd nog kiezen: opgenomen worden in de adel of in het patriciaat. Hij koos dat laatste. Want adel, dat ben je, patriciër zijn moet je verdienen.”

    • Fabian de Bont