Recensie

Schuld en boete, onmacht en zingeving

Willlem Melchior en Henk van Straten

Uit de memoirs van deze schrijvers blijkt maar weer eens: ze worden niet uit exhibitionisme geschreven. Melchior over zijn ziekte, Van Straten over zijn scheiding. Meesterhanden aan het werk.

Foto Yuri Arcurs/Getty Images, bewerking NRC

Waarom zou je een boek over iemands ziekte of echtscheiding willen lezen? Niet alleen om de sensatie natuurlijk: als je graag privéverhalen van wildvreemden wilt horen, kun je ook gewoon een dagje in de trein gaan zitten.

Oké, wel een béétje om de sensatie – al verklaar ik mijn nieuwsgierigheid naar het nieuwe boek van Willem Melchior (1966) liever uit medeleven. Met De tijd is op (2014) had hij zoveel sympathie opgewekt en in zo meeslepende taal geschreven over de keelkanker die hem trof, dat je van het vervolg Alles wat was alleen al wilt weten hoe het hem verging. Daarover: Melchior staat nu op de achterflap geportretteerd in dandyesk tenue, met doodshoofdjesshawl en open hemd, waaronder je pijnlijk goed dat dopje in zijn hals kunt zien zitten, het buisje waardoor hij ademhaalt. Kun je nagaan.

Maar die boeken over ziektes en echtscheidingen zijn niet uit exhibitionisme geschreven. Tenminste: de goede niet. Daarin is het uiteindelijk niet om de geldingsdrang of uitingsdrift te doen, maar om literatuur. De schrijversambitie is dat de gedeelde ervaring van het doorleefde méér biedt. Omdat uit dat delen (en dus het registreren, overdenken, omzetten, verwoorden en vastleggen) iets voortkomt, iets opstijgt, dat waardevoller is dan de particuliere werkelijkheid. Dat waardevolle te delen, met een lezer, dát is wat een literaire autobiografie of memoir vermag.

Als er niets waardevols was om over te brengen, had de schrijver immers zijn bed niet uit hoeven komen.

Dat is natuurlijk een zeer optimistische gedachte, want er bestaat ook nog zoiets als geld (een zieke schrijver moet ook rekeningen betalen) en zoiets als geldingsdrang (een gescheiden schrijver kan daarover schrijven). Maar de memoirs van Willem Melchior en Henk van Straten ontstijgen vermoedens van dat soort motieven.

In het geval van Van Straten (1980) was het bij zijn vorige boek al duidelijk dat het autobiografische hem geweldig lag. Wij zeggen hier niet halfbroer (2017) barstte van de gedenkwaardige scènes uit een rommelige, harde jeugd: Henk leefde in twee gezinnen, had een zwikje halfbroers en daar moest dan opgegroeid worden. Die scènes waren met liefde en zorg beschreven, zodanig verwoord en vervormd dat de schrijver de boel kon verwerken – en dat deed hij waar we bij zaten. We lazen een ‘eerlijk’ inkijkje in een echt leven én, paradoxaal genoeg, een vervorming daarvan. Van alles maken we tenslotte een mooi verhaal.

En dat Van Straten zijn huwelijk per brief op de keukentafel vaarwel zegde en vrijwel onmiddellijk zijn leven in een column voor een vrouwensite ging gieten – dat was natuurlijk wéér materiaal om te overdenken en verwerken. Dat doet Van Straten dus in Berichten uit het tussenhuisje.

Bij Melchior is de ziekte terug. In Alles wat was beschrijft hij dat, ‘omdat ik nu eenmaal de gewoonte heb, en het lekker vind, om onder woorden te brengen wat me overkomt’. Zijn boek doet inderdaad dagboekachtig aan in de beschrijvingen van de gebeurtenissen, maar de vorm is gepolijst: hoewel hij spaarzaam is met metaforen en opleuking, is zijn toon gedecideerd, op het ouwelijke af (‘Voorts snakte ik naar een versnapering’). Steeds is er een literaire meesterhand zichtbaar in zijn precieze bewoordingen, bijvoorbeeld wanneer hij de effecten van medicijnen beschrijft: ‘de zwaarte doorhuivert mijn lijf in de ene warme golf na de andere, mijn schouders en mijn pinken tintelen en mijn hoofd zoemt, vanbinnen deinend en soms zachtjes zwaaiend’.

Melchior wekt bovendien de indruk dat hij denkt en duidt door te schrijven: dat het zijn manier is om zijn gedachten gestalte te geven. We volgen zijn overpeinzingen. Over de toekomst, twijfels over verder willen leven. En heeft hij dit lot misschien ergens verdiend, als verstokt en gelukkig roker, die dacht dat kanker iets was wat anderen overkwam? ‘Ik voel me aangetrokken tot, minstens een deel van, het christelijke geloof, met zijn zonden waarvoor je boete moet doen’, schrijft hij, en dat is een van de sterkste lijnen in het boek: schuld en boete. Dat brengt hij in verband met het thema lichamelijkheid, een terugkerend motief in Melchiors oeuvre.

Specifieker gaat het om zijn vermogen om seksueel opgewonden te worden van zijn eigen aanblik. Dat maakt dat die ontsierende dop in zijn hals voelt als de ultieme boete: ‘Ik zou bij wijze van spreken mijn hemd open kunnen zetten zoals voorheen, nu behalve wellust tegelijkertijd ook afkeer opwekkend.’ Zo neemt Melchior ons moeiteloos mee zijn redeneringen én zijn gevoel in.

Bij Van Straten gaat het niet hoofdzakelijk over schuld en boete, wat misschien te verwachten was geweest: Berichten uit het tussenhuisje gaat minder over de echtscheiding dan over Van Stratens stuurloze leven daarna. Over het tijdelijke ‘tussenhuisje’, over Tinderdates met telkens nieuwe vrouwen, en over de twee zoontjes die nog steeds deel van zijn leven uitmaken, maar minder vaak, en anders dan voorheen. Over zijn nieuwe vaderschap.

Trouwens: al die zingeving, soms in machteloze clichés (‘heb vertrouwen in het kompas van je hart’) of pompeuze beeldspraak (‘een vlokje as in de open haard van het bestaan’), heeft wel degelijk een functie in het verhaal. Het richt onze blik op de langeafstandsexercitie die de korte stukjes in Berichten uit het tussenhuisje wel degelijk samen vormen: het is een verhaal over machteloosheid. Eerst heeft Van Stratens machteloosheid nog iets ergerlijks, als hij betoogt dat zijn scheiding nauwelijks een bewust besluit was: het was ‘mij ter kennisgeving medegedeeld, van binnenuit’. Ammehoela. Maar die machteloosheid blijkt zo alomtegenwoordig dat je erin gaat geloven – zeker als hij zijn melancholie in zijn oudste zoon weerspiegeld ziet, die zegt: ‘Ik mis mezelf.’

Ja jongen, alles verandert steeds. En dat veronderstelt groei, maar die komt niet vanzelf, merkt ook Van Straten. Je moet iets doen, er iets van maken. Precies wat de schrijver doet, er iets van maken, hoe gefragmenteerd en soms onmachtig als dat ook wordt – maar de poging is eerlijk, ontroerend.

Of zo gedecideerd als Melchior, die ook de controle terug wil krijgen, of, wanneer de ziekte hem dat belet, de onmacht moet accepteren. Hij moet afscheid nemen van ‘alles wat was’, daar ‘dankbaar’ voor zijn, zoals zijn moeder in het gastenboek van het Stiltecentrum in het ziekenhuis had genoteerd. Als hij die woorden ziet, breekt hij – en ze louteren hem. Zoals het voor de lezer louterend is om daar getuige van te zijn: waardevolle woorden.

    • Thomas de Veen