Lucht: hoe mest tot longproblemen leidt

Fijnstof leidt jaarlijks tot zo’n 12.000 vroegtijdige sterfgevallen. Mest is een boosdoener.

De lucht boven de Gelderse Vallei. Foto Daniel Niessen

Mensen die wonen in gebieden met veel vee, hebben vaker een verminderde longfunctie. Dat blijkt uit een vorig jaar verschenen studie over het Peelgebied, die werd geleid door epidemioloog Lidwien Smit van het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht. „Op dagen dat de concentratie ammoniak in de lucht hoog was, zagen we de longfunctie achteruit gaan”, zegt Smit. Ammoniak vervluchtigt uit mest, en draagt in de lucht bij aan de vorming van fijnstof. Of de longfunctie van de Peelbewoners nu vermindert door de ammoniak of door andere stoffen die uit de stallen vrijkomen staat nog niet vast.

Over heel Nederland ligt een deken van fijnstof. Blootstelling aan fijnstof geeft een grotere kans op longziekten, hartaandoeningen en een korter leven. In Nederland leidt het jaarlijks tot zo’n 12.000 vroegtijdige sterfgevallen. Van alle negatieve effecten van mest, is het verlies aan levensjaren door fijnstof de grootste kostenpost.

Luchtverontreiniging (naast fijnstof ook stikstofdioxide en ozon) is nu verantwoordelijk voor 4 procent van de totale ziektelast in Nederland, vergelijkbaar met overgewicht en te weinig lichaamsbeweging.

Fijnstof kan van alles zijn: zeezout, stuifmeel, deeltjes die van autobanden en -remmen komen. Het kan ook ontstaan door chemische reacties in de atmosfeer. Stikstofoxiden in uitlaatgassen, en ammoniak uit mest, spelen hierbij een belangrijke rol. Van alle fijnstof in de Nederlandse lucht is 6 tot 7 procent terug te voeren op de binnenlandse landbouw – inclusief de buitenlandse landbouw komt dat aandeel op zo’n 13 procent. „En dat komt hoofdzakelijk door uitstoot van ammoniak”, zegt Guus Velders, hoogleraar Luchtkwaliteit en klimaatinteracties in Utrecht, en verbonden aan het RIVM.

Probleem van de fijnstofproblematiek, zegt Velders, is dat niet duidelijk is welke deeltjes verantwoordelijk zijn voor welke lichamelijke schade. Vandaar het recente advies van de Gezondheidsraad om zowel verkeer als veehouderijen aan te pakken. Alleen, dat laatste gebeurt volgens Velders niet echt. „De Europese doelen voor ammoniak zijn niet heel ambitieus”, zegt Velders.

In 2020 moet de uitstoot 6 procent zijn verminderd ten opzichte van 2005. Dat terwijl in 2012 al een reductie van 5 procent was bereikt. In 2030 moet die uitstoot voor de hele EU met 19 procent zijn verlaagd.

Oene Oenema is hoogleraar Duurzaam bodembeheer aan de Wageningen UR en voorzitter van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet en hij kent de druk waaronder boeren staan. Ze moeten concurreren op de wereldmarkt, tegelijk moeten ze voldoen aan steeds meer regels. „Het is een ratrace.” Mest mag niet meer uitgesproeid worden over het land, het moet geïnjecteerd. Veevoer is aangepast zodat er minder stikstof in de mest komt, en er dus minder ammoniak uit verdampt. Kippen- en varkensstallen moeten luchtwassers installeren die ammoniak verwijderen. Allemaal extra kosten.

En de cijfers laten iets raars zien. Op basis van modelberekeningen zou de uitstoot van ammoniak, door al die maatregelen, moeten afnemen. Het vreemde is: dat ziet het RIVM niet in haar luchtmetingen. De concentratie ammoniak nam tussen 1993 en 2004 weliswaar met gemiddeld 36 procent af, maar tussen 2005 en 2014 ging die weer met 19 procent omhoog.

Oenema zegt dat de praktijk weerbarstig is. „Luchtwassers zijn in gebruik vrij duur, dus boeren hebben dat apparaat lang niet altijd aan staan”, zegt hij. Ook zijn er vermoedens dat mestinjectie in de bodem minder voordeel oplevert dan gedacht. Misschien was het wetenschappelijk onderzoek te rooskleurig. Misschien voeren boeren de injectie niet uit als voorgeschreven.

Oenema pleit voor een fundamentele discussie over de intensieve veehouderij. Datzelfde zegt epidemioloog Lidwien Smit in Utrecht.

    • Marcel aan de Brugh