Column

Ik wil geen lentekriebels

Japke-d. Bouma schrijft elke week over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: het woord ‘lentekriebels’.

Ik heb het even aangekeken met de lente, maar ik ben er nu alweer helemaal klaar mee. Klaar met de zomertijd waardoor ’s avonds de gordijnen niet meer dicht kunnen en de kaarsjes aan; klaar met de terrassen die in mijn stad weer ramvol zitten; en klaar met de buren die aan alle vier de kanten met hogedrukspuiten hun terras op zondagmorgen weer staan af te stralen.

Ik vind de lente sowieso heel vervelend. Dat de katten verharen, dat het weer zomer wordt, en snikheet, en alle grasvelden weer roken van de barbecues, of erger, van de ‘foodtruckfestivals’. Dat je niet meer elk weekend chagrijnig op de bank kan hangen omdat het te zonnig is, dat je collega’s weer met harige tenen in slippers naar kantoor komen, enfin, daar schreef ik al eerder over. Kon het maar elke dag 4 graden onder nul zijn met motregen, maar nee, de lente komt de boel weer verpesten.

Maar het ergste van de lente is natuurlijk het woord ‘lentekriebels’ dat elk jaar eind maart weer de kop opsteekt. Wie heeft dat in godsnaam bedacht? En erger, wie heeft bedacht dat het iets positiefs is?

Want kriebels. Die krijg je toch van beestjes, wollen truien of onaangename mensen? Ik ken in ieder geval niemand die bij de zin ‘ik krijg de kriebels van die man’ denkt aan een leuke gast, jullie wel? Als er ooit een referendum komt over lentekriebels, ben ik alvast tegen.

Lentekriebels? Dat is jeuk aan je bikini-lijn, hoofdluis en hooikoorts

Het woord is bovendien elk jaar weer het startschot voor allerlei vreselijke dingen. Lentekriebels? Dat is als alle columnisten ineens over Martin Bril gaan schrijven. Dat is als NOS-verslaggever Peer Ulijn naar de eerste koe in de wei gestuurd wordt. Dat is als Amsterdamse kranten weer vol staan met jeukopwekkende klaagzangen van ouders van gymnasiummeisjes wier gymnasiummeisje niet naar het gymnasium mag maar naar een brede school moet waar ook etnische minderheden zitten.

Lentekriebels? Dat is jeuk aan je bikini-lijn, hooikoorts, hoofdluis, dat dieren het overal zitten te doen, dat mannen van middelbare leeftijd weer op een racefiets klimmen in een strakke broek met licht beschimmeld zeemleer onder het perineum. Dat collega’s ineens weer met blote benen naar kantoor komen en daar dan met lange nagels aan gaan krabben waar je naast zit. Lentekriebels, ik ken niemand die ze heeft of hoopt te krijgen, nou ja, krijgen wel. „Lentekriebels in je broekje”, zei een vriend van me, „dat kan ook schaamluis zijn.”

Volgens mijn vrienden van de vereniging Onze Taal werd het woord voor het eerst in kranten gebruikt op 23 januari 1963 in een weerbericht in het Nieuwsblad van het Noorden, na een lange strenge winter. Maar brede bekendheid kreeg het woord natuurlijk pas via de basisschool die kinderen met het programma ‘Lentekriebels’ seksuele voorlichting geeft. Alsof je de kriebels krijgt van seks! Vind je het gek dat jongeren er steeds later mee beginnen?

Ik zou dan ook zeggen: we stoppen lekker met dat woord, al was het alleen maar om komende generaties te redden. En verder ga ik nu heel hard hopen en bidden dat het maar weer snel herfst mag worden. O jongens.

Was het maar weer advent.

Taaltips via @Japked op Twitter.