Recensie

Elk dorp ging los

De jaren zestig

Deze jaren hebben de wereld voorgoed veranderd, schrijft Geert Buelens in zijn cultuurgeschiedenis over dat decennium. Jos Palm toetst diens bevindingen aan zijn jeugd.

De nationale twistkampioenschappen in hotel Krasnapolsky in Amsterdam, 27 februari 1962 Fotocollectie Anefo

Het waren in onze familie iconische foto’s. Voor mijn ouders verwezen ze naar een verloren toekomst, voor ons kinderen maakten ze een verlies van zekerheid zichtbaar dat wij, gezagsmoe als we waren, zouden ervaren als winst. Het ene familieportret komt uit 1963, het andere uit 1970. De een toont het gewenste gezin dat de pastoor aanmoedigde en dat de ongeschreven regels van dorp en vaderland voorschreven. Alsof wij – al zijn we nog vrij jong, tussen de zeven en dertien – zo de grote mensenwereld in kunnen stappen waarin onze en alle vaders en moeders in het plaatsje zich tevreden waanden, zo staan we op de vroegste foto. Het plaatje ademt boven alles ouderlijk verlangen naar orde en vormvastheid: de drie jongens in pak, witte blouse, stropdasje om en keurig geknipte haren; de drie meisjes in plooirok, vlechten en staarten in het haar, nette vestjes, zwarte schoentjes en witte sokjes (al draagt een van de zusjes nylonkousen, vleeskleurig teken van de nieuwe zich aankondigende lichamelijke tijd). Op de achtergrond van het familiekiekje is de kerktoren van ons dorp, Zeddam, te zien met kruis en wijzerplaatklok, die al ruim een eeuw het dagelijkse ritme van geloof, eredienst en arbeid aangaven, vertrouwd kenmerk van de oude, schijnbaar onvergankelijke tijd.

Zeven ondanks het bijbelse aantal bepaald niet heilige jaren verder is er een heel ander beeld waar te nemen. Lange losse haren tot ver over de schouders bij zowel de meisjes als de jongens (behalve bij mijn oudste broer die, als fan van soul en motown, haar tot op de schouder droeg en natuurlijk broeken met wijde pijpen), afgetrapte gympies, suède schoenen, Zweedse klompen en twee paar blote voeten onder lange hippiejurken domineren het gezinsplaatje dat mijn ouders in hun hartstochtelijke behoefte om de fictie van familiale eenheid te handhaven uiteindelijk toch maar in een lijstje op het dressoir zetten.

Wat de afdruk laat zien is beloftevolle wenselijke wanorde, opgedaan in de tijd van de provo’s en Damslapers, Herman Hesse’s Siddharta en Carlos Castaneda’s dromerijen in boek, de films van Pasolini en Bertolucci en de muziek van de Stones en Pink Floyd (Ummagumma met muggengezoem en akoestisch gitaargetokkel was de favoriete lp, bij voorkeur gedraaid bij kaarslicht, net als het nasale troostgebrom van Leonard Cohen op vinyl). ‘Nergens klaar voor’, behalve voor experimenteren met alles wat ooit van waarde was, dat is de boodschap van de foto: een cesuur in een prent van een onschuldig gezinstafereeltje.

Alternatieve cultuur

En het zou allemaal nog erger worden. Na het bad in de alternatieve cultuur zouden we, aangedaan door het grote onrecht dat Vietnam heette, achter derde-wereldhelden van communistische snit aanlopen, zouden we gaan ‘samenhokken’ en zouden we God en kerk tot een onderneming van en voor sukkels verklaren. Alsof hun kinderen waren voorbestemd extreme producten te worden van een extreem decennium, zo moet het voor onze ouders gevoeld hebben. De foto’s openbaarden particulier gezinsverdriet, maar trokken ook een streep in de tijd ver voorbij het familiedrama van een toevallig gezin in een toevallig dorp.

Zoals ons gezin moeten er vele geweest zijn, in Nederland, in Europa en zelfs daarbuiten. Zo wordt duidelijk uit De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis van de Utrechtse hoogleraar Nederlandse letterkunde Geert Buelens, geboren in het Vlaamse Duffel als kind van ouders die trouwden in het Flowerpowerjaar ’67, die hem evenwel grootbrachten met James Last. De auteur die eerder een lijvig werk over dichters in de Eerste Wereldoorlog publiceerde, heeft zich nu gebogen over de even onontkoombare als slepende erfenis van het roemruchte decennium. Zelf opgegroeid met een echo van ‘zestig’, overschaduwd door geslachtsloze vrijetijdsmuziek, wilde hij weten wat die nalatenschap inhoudt. Daartoe heeft hij een boek geschreven dat even kolossaal, overdonderend en ondanks de prettig losse schrijfstijl bij tijd en wijle even eindeloos uitgestrekt is als de periode zelf. Kern van zijn betoog is dat the sixties een wereldwijd fenomeen waren dat vaak ten onrechte versmald is tot een Westerse aangelegenheid. Beatles = bevrijding = jaren zestig luidt het afgezaagde schema. Niet dus, aldus Buelens, de verlossing kwam even zo vaak uit goeroerijk India of bijvoorbeeld van profeten als de Congolese vrijheidspoliticus Lumumba of van de exotische Braziliaanse Bossanova-muziek. ‘The Girl from Ipanema’ was minstens zo ontvoogdend als ‘(I Can’t Get No) Satisfaction’, oordeelt Buelens in zijn boek dat een belangrijk niet-westers perspectief opent op het veelbesproken tijdvak.

Het ging in de jaren zestig net als in de achttiende-eeuwse Verlichting om de vraag naar de legitimiteit van het zogeheten onaantastbare geestelijke, culturele en wereldse gezag. Oude vormen en gedachten waren door de oorlog voorgoed in diskrediet geraakt en werden als nooit tevoren bevraagd. Evenzeer in Afrika en Azië als in het kleinste gat in Nederland. De wereld was door televisie, film, muziek, nieuwsverslaggeving en allerhande internationale kunstmanifestaties een dorp geworden, en de wereld kwam zogezegd elk dorp binnen.

En, o ja, de jaren zestig gaven, aldus de auteur, ook de laatste oprisping van utopische aanvechtingen te zien, en, evenzo memorabel, ook toen al zat het volk niet altijd te wachten op alle vernieuwing en culturele verrijking uit allerhande windstreken. En ten slotte, ook niet te vergeten: in de jaren zestig ontstond het besef dat de niet-witte, toen nog derde wereld, een gelijkwaardige plaats toekwam.

Rust en regelmaat

Maar wat voor een beeld van ‘zestig’ krijgen we als we kijken naar mijn geboortedorp dat als ieder dorp werd opgenomen in de maalstroom van de tijd die mijn ouders zo verontrustte? Een kleine lokale steekproef bevestigt dat, zoals Buelens schrijft, vanaf the sixties heel veel niet meer zomaar vanzelfsprekend was en ‘de wereld’ overal de rust en regelmaat van eeuwen kwam verstoren.

Het was 1963, het jaar van de keurige foto. Er was bij ons in de huiskamer nooit gedanst totdat we dat liedje op de radio hoorden en mijn oudste zus naar de platenzaak in het naburige Doetinchem toog en thuis kwam met ‘Let’s Twist Again’ van de zwarte zanger Chubby Checker. De stoelen gingen aan de kant, en ze zwaaide met haar armen omhoog terwijl ze heupschuddend en half hurkend door haar knieën zakte. ‘Dat is twisten’, legde ze uit. Even later voegden de andere zusjes zich bij haar, en ik geloof dat ik als zevenjarig jongetje voor de grap ook meedeed. Het was schutterig en onschuldig en het was een van de eerste keren dat we als brave katholieke kinderen onze knieën niet bogen om te knielen. Onze ouders keken geamuseerd toe, gezelligheid kon kennelijk ook gek en wild zijn, en er bestond dus ook ander amusement dan KRO’s televisieserie Dappere Dodo en de conference met de stoel van Toon Hermans. De dans die overal, van Indonesië tot in de DDR en de Sovjet-Unie, een hit werd, ‘paste perfect in een vrije en individualistische wereld die het gemeenschappelijke en sociale niet wilde opgeven’, maar tegelijkertijd de eigen lendenen de ruimte gaf, schrijft Buelens. Dergelijke woorden hadden wij er natuurlijk niet voor, maar we ervoeren een prettige ondermijning van het paradigma van de stijfheid dat met dorpsharmonie, vendelzwaaiers en NAVO-Taptoe werd gecontinueerd.

En er kwam meer in huis dat tornde aan de afgepaste collectieve voldoening die de norm was van welbevinden voor de oudere generatie. Een abonnement op het undergroundblad Hitweek waarin de blote Phil Bloom te zien was voordat ze haar kwaliteiten vaderlandbreed op de VPRO-televisie vertoonde; de seks-bestseller Candy; het plaatje Ben ik te min (‘omdat je pa een grotere kar heeft dan de mijne’) van protestzanger Armand en het olijke Dominique van de zingende non (Zuster Glimlach): ze verwezen allemaal naar de zoektocht naar individuele vrijheid die kenmerkend was voor wat je de brede weg naar geluk van de jaren zestig zou kunnen noemen, en ze waren niet uitsluitend te vinden in ons hippievoorlijke gezin, al moet gezegd dat een groot deel van onze generatiegenoten zich op den duur enigszins voegde naar de mores van de vorige generatie. Tegelijkertijd hielp menigeen mee aan de collecte voor het linkse Medisch Comité Vietnam die nabij ons dorp gehouden werd, gaf men grif voor de hongersnood in Biafra (mogelijke tekens dat er ter plekke iets van een bescheiden koloniaal schuldbewustzijn zou kunnen bestaan) en had Zeddam een eigen soort Paradiso, ludiek Chocomel geheten.

De meesten uit ons gezin zouden uiteindelijk tijdelijk de smalle weg naar geluk van de jaren zestig bewandelen, de weg van Mao en Ché, omdat we helemaal niets meer voor vanzelfsprekend aannamen, behalve dan dat de kapitalistische wereld slecht was en gereinigd moest worden. Aldus werden we ‘de zuiverheidszeloten’ waar Buelens over schrijft die het radicale licht zochten in het Oosten. Uitzonderingen in het dorp, maar archetypes in het boek van een Belgische professor een kleine vijftig jaar na dato.

En hoe zit het ondertussen met het erfgoed van ‘zestig’ waar het Buelens om begonnen was bij zijn project? De geschiedenis van ons gezin en dorp leert dat het vinden van individueel geluk de norm is geworden en dat het groepsdwanggeluk van uitstervende eenheden als kerk, partij of beweging is geminimaliseerd. Die nalatenschap is veilig gesteld, al blijkt uit de historie van ons gezin vol relatiebreuken, vol voorbeelden van moeizaam verkregen maatschappelijk houvast, vol gerommel met levensvormen en af en toe gerotzooi met geestverruimende middelen, dat het vormgeven in de geest van the sixties geen kleinigheid was.

En de ‘mentale dekolonisatie’, de erkenning van gelijkwaardigheid van vrouwen, gekleurden en allerlei minderheden, die Buelens cruciaal acht voor de weging van ‘zestig’? Hoe is het daarmee gesteld? Om me te beperken tot ons gezin: de zus die de twist (en later Marx en Mao) in huis bracht, loopt nu alweer tientallen jaren lang mee in ‘de Nacht van de Vluchteling’. Zij houdt, als een Henriette Roland Holst, het vuur brandende.

    • Jos Palm