Opinie

    • Maarten Huygen

Ruim driekwart van wetenschappelijk onderzoeksgeld is niet vrij

Onderwijsblog De groei van gebonden onderzoek waar wetenschappers naar moeten solliciteren bij bedrijven en wetenschapscommissies is enorm en dat gaat ook ten koste van onderwijs.

De cleanroom van het fotonica-laboratorium op de TU Eindhoven. Joyce van Belkom/ANP

Wetenschappers moeten steeds vaker in opdracht werken voor de overheid, voor beleidsadvies, voor maatschappelijke organisaties en voor bedrijven. Een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen constateerde vorige maand dat de sturing van onderzoek de vrijheid van wetenschap beperkt.

Alleen al de afgelopen veertien jaar is de vrijheid om zonder aanvraag vooraf een onderwerp van eigen voorkeur te onderzoeken sterk teruggedrongen. Het aan opdrachtgevers of aanvragen gebonden onderzoek van wetenschappers is van 2004 tot en met 2016 toegenomen van 1,41 tot 3,1 miljard euro per jaar. Het geld uit de eerste geldstroom voor wetenschappelijk onderzoek, waar geen voorwaarden aan zijn verbonden, is in die jaren gedaald van 1,06 miljard tot 950 miljoen euro. Dat is minder dan een kwart van het totale onderzoeksgeld.

Ter compensatie van het weinige vrije onderzoeksgeld besteden universiteiten één vijfde van het voor onderwijs bestemde overheidsgeld gaat aan onderzoek. Dat blijkt uit cijfers van het Rathenau instituut dat de geldstromen in het wetenschappelijke onderzoek analyseert.

Gebonden onderzoek kan leiden „tot onwenselijke beïnvloeding door de financier”, aldus de commissie. Die kan zich gaan bemoeien met de „werkwijze, interpretatie en publicatie van resultaten”. Een ander nadeel is dat opdrachtonderzoek veel werk kost, omdat wetenschappers voortdurend voorstellen moeten schrijven die vaak worden afgewezen.

Het vrije onderzoek wordt gefinancierd uit de eerste geldstroom, het vaste onderdeel van de rijksbijdrage dat universiteiten voor onderzoek krijgen. Toch is ruim drie kwart van dat „vrije” onderzoeksgeld gebonden omdat het opgaat aan het naar rato meefinancieren van gebonden onderzoeksprojecten, de zogenoemde matching. Om die vastliggende uitgaven te compenseren doen de universiteiten een stevige greep in de kas voor het universitaire onderwijs (360 miljoen euro), dat daardoor kariger wordt gefinancierd. Een impuls van het nieuwe kabinet voor het bedrag van uiteindelijk 200 miljoen per jaar voor fundamenteel onderzoek biedt wel enige maar geen volledige compensatie voor dit verlies.

Het aan opdrachtgevers gebonden onderzoek komt uit de tweede, publiek gefinancierde, en derde, gemengd gefinancierde, geldstroom van commerciële of beleidsgerichte onderzoeksopdrachten. Het gaat om onderzoek voor „topsectoren” van het bedrijfsleven of voor wat burgers of belanghebbenden bedenken in de Nationale Wetenschapsagenda. Ook de Europese Unie biedt steeds meer onderzoeksfinanciering. Geld uit Brussel moet ook door de universiteit met eigen geld worden „gematcht”.

Niet alle financiering van opdrachtgevers uit de tweede geldstroom is gestuurd. De NWO, die publieke aanbestedingen voor Nederlands onderzoek uitschrijft en honoreert, heeft excellentieprogramma’s die aan in hun veld befaamde wetenschappers of wetenschapsscholen worden gegeven. Ze gaan onder namen als „vernieuwingsimpuls” en „talentprogramma”. Bij elkaar bedroeg dat in 2016 volgens NWO 265 miljoen euro per jaar. Dat bedrag is in de loop der tijd niet relatief gestegen en soms ook weer gedaald.

Er zijn ook wetenschappers die de groei van gebonden onderzoek toejuichen. De nationale wetenschapsagenda was een wens van de politiek, maar ook wetenschappers hebben deze ontwikkeld om draagvlak voor onderzoek te creëren. Frank Miedema, hoogleraar immunologie, decaan van de medische faculteit en vice-voorzitter van de Raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht, hecht aan praktische toepassing van wetenschap, niet alleen bij geneeskunde. Hij is mede-oprichter van Science in Transition, een beweging die door interactie met de samenleving onderzoek met maatschappelijk resultaat op de korte termijn wil stimuleren. „De KNAW wil ook dat onderzoek veel impact heeft op de maatschappij en dan is sturing niet verkeerd”, zegt hij.

Miedema vindt dat het onderzoek in de medische wetenschap nog te weinig is gericht op concrete gezondheidsproblemen. „Meer toegepast onderzoek naar de echte noden van een patiënt wordt in de academie minder gewaardeerd en is minder bevorderlijk voor een goede wetenschappelijke carrière. Als ideologie in een academisch ziekenhuis geldt dat hoe verder het onderzoek van de patiënt afstaat, des te fundamenteler en dus des te excellenter het is. Dat gaat ten koste van vakken als geriatrie, revalidatiegeneeskunde en huisartsengeneeskunde, waar grote klinische problemen spelen”, stelt hij vast. Ook de Gezondheidsraad stelde in zijn advies „Onderzoek waar je beter van wordt” dat maatschappelijke relevantie een grotere rol moet spelen bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. De EU, maar ook de gezondheidsfondsen in Nederland sturen steeds meer op maatschappelijke thema’s. In de uitvoering daarvan moeten wetenschappers uiteraard vrij zijn, vindt Miedema.