Recensie

De oogkleppen van Achille Mbembe

Filosofie

Europa heeft afgedaan, aldus de Kameroense filosoof Mbembe. Koloniaal en racistisch geweld beleven nu een reprise. In de bevrijde ‘Neger’ balt zich de nieuwe wereldgeschiedenis samen.

Achille Mbembe in het Musée Dapper in Parijs op de tentoonstelling ‘Chefs d’ oeuvre d’Afrique’, 2016 Foto Manuel Braun

Het zijn merkwaardige boeken die de Afrikaanse, Franstalige filosoof Achille Mbembe (Kameroen, 1957) de wereld instuurt. In 2015 verscheen in vertaling zijn Kritiek van de zwarte rede, onlangs gevolgd door Een politiek van vijandschap. Beide boeken liggen in elkaars verlengde en beogen een ‘kritiek van onze tijd’ te bieden.

Uitgangspunt daarbij is Afrika, aangezien Europa, aldus Mbembe, niet meer het ‘zwaartepunt van de wereld’ vormt. Dat laatste is waar, maar dat maakt de keuze voor Afrika nog niet vanzelfsprekend. Had het niet meer voor de hand gelegen om Azië te kiezen, waar naties als India en China het Westen op elk gebied steeds meer concurrentie aandoen?

Vreemd genoeg heeft Mbembe over Azië niets te melden, geobsedeerd als hij is door racisme, kolonialisme en slavernij, zaken die hij kennelijk exclusief met Afrika associeert. Merkwaardig zijn Mbembe’s boeken ook door hun soms ondoordringbaar proza, dat uitblinkt in wollig verwoorde, abstracte vaagheid. Meer dan eens heb ik geen idee wat de auteur precies zou kunnen bedoelen. Toch laten zich te midden van alle verbale mist, die ook tot lyrische dan wel woedende uitschieters kan leiden, enkele rode draden ontwaren.

Zo is zonneklaar dat Mbembe vindt dat de westerse liberale democratie niet los kan worden gezien van het geweld van kolonialisme en slavernij. Beide vormen het ‘bittere beginsel’ en het ‘nachtlichaam’ van de democratie, schrijft hij niet zonder overdrijving en met weinig historische precisie – twee hebbelijkheden die heel zijn denken kenmerken.

In feite herhaalt hij de betwistbare stelling dat de zegeningen van de Europese beschaving alleen op kosten van de derde wereld hebben kunnen ontstaan. Daarbij plaatst hij ‘het ras’ in het middelpunt, als het dominante principe dat het koloniale geweld (Mbembe spreekt van een ‘genocidaire drift’) moest legitimeren, terwijl tegelijkertijd voor de Europeanen onder elkaar het volkerenrecht in de steigers werd gezet. Van een werkelijk ‘humanisme’ kon daarom in Europa geen sprake zijn; het werd bedorven door een verzwegen, ingebakken racisme.

Voor enige verwondering over het feit dat zoiets als humanisme überhaupt opkwam en dat in Europa zelf de slavernij werd uitgebannen, is hierna uiteraard geen plaats meer. Het Afrikaanse perspectief bepaalt alles, al krijgt het bestaan van bijvoorbeeld de prekoloniale slavernij aldaar niet al te veel nadruk. Mbembe beperkt zich tot de mededeling dat die slavernij (eufemistisch aangeduid als ‘autochtone vormen van knechtschap’) in elk geval niets aan het kapitalisme heeft bijgedragen.

Maar er worden niet alleen oude koeien uit de sloot gehaald. Het verleden blijkt opnieuw actueel te zijn, want als we Mbembe mogen geloven beleeft het koloniale en racistische geweld tegenwoordig een soort reprise. Hij constateert een toenemende ‘vernegering van de wereld’, waarbij het niet meer alleen om de zwarte medemens gaat, maar om iedereen die door het geglobaliseerde, neoliberale kapitalisme ‘overbodig’ is gemaakt. Vluchtelingen, asielzoekers, migranten, moslims en wie er nog meer worden buitengesloten of als zondebok gebruikt: allen zouden ze het slachtoffer zijn geworden van de nieuwe ‘politiek van vijandschap’, die onze democratieën uitholt en die het gevolg heet te zijn van een herlevend nationalisme en een oorlogszuchtige contraterreur. Vanwege dit oorlogsaspect heeft Mbembe het niet meer, zoals Foucault, over ‘biopolitiek’ maar over ‘necropolitiek’. Nog even en de westerse wereld is één grote ‘uitzonderingstoestand’ geworden, met dodelijk onrecht en wetteloosheid als regel, net als indertijd in de koloniën en op de plantage.

Nu heeft die ‘vernegering’ ook nog een andere kant, evenals de ‘zwarte rede’ (raison Nègre) waarvan Mbembe de kritiek heeft geschreven. Enerzijds betreft die rede het blanke racistische discours waarin de ‘Neger’ (door Mbembe steevast met een hoofdletter geschreven, vermoedelijk om aan te geven dat het om een imaginaire constructie gaat) tot een verhandelbaar ‘ding’ wordt gereduceerd, anderzijds behoort ook het zwarte ‘verlangen naar vrijheid’ ertoe. Net zo zou, betoogt Mbembe, uit al die ‘overbodige’ mensen een nieuw en nu niet langer door racisme besmet, maar echt universeel en egalitair humanisme kunnen voortkomen. Een humanisme bovendien dat ook alle andere levende wezens op aarde zou moeten omvatten aangezien we onze planeet met alles en iedereen delen.

Zie daar de zin van Afrika als uitgangspunt. In de vernederde (en bevrijde) ‘Neger’ balt zich als het ware de toekomstige wereldgeschiedenis samen – een mooie revanche op Hegel, die Afrika en haar bewoners ooit buiten de geschiedenis plaatste. Mbembe spreekt van een ‘afrofuturisme’, dat hij afzet tegen concurrerende noties als négritude, afrocentrisme of panafrikanisme, die met hun concentratie op Afrika en de Neger niet los zouden komen van de racistische logica van het ‘verschil’.

De vraag blijft wel hoe Afrikaans dit ‘afrofuturisme’ nog is. Imiteert Mbembe niet gewoon een vertrouwd christelijk denkpatroon, waarin het heil alleen te bereiken is via een zuivering door het lijden? Maar je zou ook aan het marxisme kunnen denken, nu met het ‘vernegerde’ deel van de mensheid in de rol van het revolutionaire proletariaat.

Wonderlijke potpourri

De paradox van Mbembe’s denken bestaat eruit dat hij recht wil doen aan Europa's verdwijnen als ‘zwaartepunt van de wereld’, maar dat hij er als filosoof geen moment in slaagt Europa en het Europese denken achter zich te laten. Wat we in zijn beide boeken krijgen voorgeschoteld is een wonderlijke potpourri van Europese ideeën en theorieën, zij het soms via de omweg van oudere antikoloniale denkers, zoals de sterk door Sartre beïnvloede geweldsapostel Frantz Fanon uit Martinique, aan wie Mbembe in Een politiek van vijandschap zelfs een heel hoofdstuk wijdt.

Daarnaast komen we Michel Foucault tegen en Hannah Arendt, maar ook Hitlers Kronjurist Carl Schmitt, van wie Mbembe de notie van de ‘uitzonderingstoestand’ en de definitie van politiek als het onderscheid tussen ‘vriend en vijand’ overneemt. We leven nu in de ‘wereld van Schmitt’, schrijft Mbembe, uiteraard niet met instemming.

In zekere zin gebruikt Mbembe de visie van Schmitt om de westerse democratieën te kritiseren. Op zijn manier beantwoordt hij aan wat Pankaj Mishra beschrijft in The age of anger (2017), waarin het huidige verzet tegen het Westen van moslimterroristen en Aziatische nationalisten wordt herleid tot de frustratie, woede en zelfverheffing van de Duitse en Russische vertegenwoordigers van de Contra-Verlichting uit de achttiende en negentiende eeuw.

Inderdaad, dankzij een fundamentele verdeeldheid omsluit de moderne westerse cultuur haar eigen tegenpool en blijft zo het debat bepalen. Bij Mbembe zien we dat voorbeeldig gedemonstreerd, doordat hij het verlichte humanisme tegelijkertijd kritiseert én (in verbeterde vorm) omarmt. Het wordt tegen zichzelf uitgespeeld. Minder utopisch wordt het er alleen niet van in een wereld waarvan Europa niet langer het zwaartepunt vormt. Maar om dat in te zien moet je, anders dan Mbembe met zijn Afrikaanse oogkleppen, bereid zijn de blik ook op andere continenten te richten en op het daar nog veel sterker dan in Europa opgekomen nationalisme.

    • Arnold Heumakers