Bossen: stikstof uit mest fataal voor zomereik

De ammoniak uit mest werkt de verzuring in de hand. Met grote gevolgen voor de Nederlandse bossen.

Een dode eik ergens in het bos van de Gelderse Vallei. Foto Daniel Niessen

„Deze is dood. Die ook. Die zit er niet ver vanaf”, zegt ecoloog Roland Bobbink terwijl hij door het bos struint en de ene na de andere dode of bijna dode zomereik aanwijst. We zijn in de Maasduinen, een natuurgebied bij het Noord-Limburgse dorp Well. Zo’n 40 tot 50 procent van de zomereiken in dit gebied is dood, zegt Bobbink. Dit omvangrijke stervensproces is zo’n viif jaar geleden ontdekt, en is op meer plekken in Nederland gaande. Vooral op droge zandgronden, in de Achterhoek, Overijssel, Noord-Brabant, op de Veluwe.

De meest waarschijnlijke oorzaak is verzuring, vooral als gevolg van stikstofdepositie. Bij dat proces slaat stikstof uit de lucht neer op de bodem, en beïnvloedt daar allerlei chemische processen. Van alle bronnen die bijdragen aan deze verzurende depositie is de Nederlandse landbouw (via ammoniak uit mest) de grootste, met een aandeel van bijna eenderde – het aandeel stijgt naar tweederde als de uit het buitenland aangevoerde ammoniak wordt meegerekend. Het verkeer is de andere grote bron (via de uitstoot van stikstofoxiden).

Bobbink geldt internationaal als een van dé experts wat betreft de gevolgen van stikstofdepositie voor ‘terrestrische ecosystemen’, met name voor planten en bodem. Die gevolgen zijn, grofweg, vermesting en verzuring. In beide gevallen is het aanbod van stikstof structureel te hoog. Vermesting betekent dat zogeheten vergrassers de overhand krijgen. Het is een beperkt aantal, snelgroeiende soorten dat juist gebaat is bij veel stikstof. Zoals braam en vlier in bossen, duinriet en helm in duinen, bochtige smele in heiden. Door hun snelle groei overwoekeren ze de vaak laag bij de grond groeiende oorspronkelijke vegetatie, die het door een gebrek aan zonlicht moeilijk krijgt. Het uiteindelijke gevolg is een afname van de soortenrijkdom.

Ammoniumzouten

Bij verzuring wordt de bodem, zoals de naam zegt, zuurder. Uit mest vervluchtigende ammoniak kan in de lucht reageren tot ammoniumzouten en eenmaal op de bodem neergeslagen kan ammonium weer in nitraat worden omgezet. Daarbij komen H+-ionen vrij, die de bodem zuurder maken. Afhankelijk van onder meer de buffercapaciteit van de bodem, zorgt de verzuring ervoor dat elementen als calcium, magnesium, kalium als ionen oplossen en wegspoelen. Ook aluminium, vaak giftig voor planten, komt vrij. Het is die combinatie van een zuurdere bodem, gebrek aan weggespoelde elementen en te veel vrij aluminium, die de zomereik nekt, zegt Bobbink. Maar waarom treft dit alleen de zomereik, en niet de beuk, de berk, de grove den? „Elke plant heeft zijn eigen gevoeligheid”, zegt Bobbink.

De uitspoeling van calcium, magnesium, kalium in bossen werkt ook door in dieren, zoals koolmezen. Op de Veluwe is vastgesteld dat ze aan kalkgebrek lijden. Eieren hebben een zwakke schaal, ze komen vaak niet uit, en jonge koolmezen liggen in het nest met gebroken poten.

Hoewel verzuring door het terugdringen van de uitstoot van zwaveloxiden in de jaren 70 en 80 is verminderd, is het probleem niet weg. Het is nu de te hoge stikstofdepositie die het proces drijft.

Niet elk natuurtype is even gevoelig voor stikstof. Elk systeem heeft zijn eigen grenswaarde, de critical load. Ligt de depositie hoger dan beginnen de negatieve effecten. Bobbink heeft samen met collega’s die waarden voor alle natuurtypes in Europa vastgesteld. Zo ligt het voor veel loof- en naaldbossen tussen de 10 en 20 kilo stikstof per hectare per jaar. Voor hoogveen en duinen ligt die waarde net onder de 10 kilo.

In veel natuurgebieden wordt de grenswaarde overschreden. Soms met een factor twee tot drie. De situatie is in veel gebieden matig tot slecht, zo meldde het Planbureau voor de Leefomgeving vorig jaar nog. Voor de natuur zou de uitstoot van ammoniak fors terug moeten, misschien wel gehalveerd. Maar het RIVM, dat sinds 2005 de ammoniakconcentraties in natuurgebieden meet, ziet de waardes in delen van Gelderland, Overijssel en Drenthe juist toenemen. Waarom is niet duidelijk. Het zou met de uitbreiding van de melkveehouderij naar die gebieden te maken kunnen hebben.

    • Marcel aan de Brugh