Foto Annabel Oosteweeghel

Een leven lang op de boerderij

Henk Oostdam (72) woont sinds hij kind was in hetzelfde huis, op de grens tussen Voorhout en Rijnsburg. Hij sliep slechts twee nachten van zijn leven ergens anders. „Ik zit hier goed op mijn eigen plekkie, hier maak je elke dag weer wat anders mee.”

De dagen lengen. De lente hangt al in de lucht. Toch zullen de koeien moeten wachten. Pas als de bladeren van de kastanjeboom zijn dichtgegroeid, mogen ze naar buiten.

Voor Henk Oostdam (72) is het vanzelfsprekend. De koeien mogen binnenkort onrustig worden, of het warm krijgen in de stal, pas als het loof vol is, blijft het weer zacht. En zo zijn er meer tekenen van de natuur waar hij blind op vaart. Als de vliegen steken, komt er regen. En met de nieuwe maan, kan je verwachten dat het weer gaat omslaan. „Je hoort de mensen er nooit meer over. Maar als de barometer omhoog gaat, is de kans groot dat het droog blijft”, zegt Oostdam, gezeten aan de koffie in de voorkamer van zijn boerderij.

In Nederland zijn er waarschijnlijk maar weinig mensen die zo vergroeid zijn met hun omgeving als hij. ‘Boer Henk’, zoals hij wordt genoemd door de mensen – zeven vrouwen en één man – die hun paarden bij hem hebben gestald, woont nu al bijna zeventig jaar op dezelfde plek in het boswachtershuisje op de grens tussen Voorhout en Rijnsburg. Op één uitzondering na heeft hij nog nooit ergens anders geslapen dan in zijn eigen bed. „In 1965 moest ik van de kerk twee nachten bij het leger in Noordwijkerhout logeren. Ze noemden het een retraite, maar het was bedoeld om zieltjes te winnen. Ik heb er heerlijk gegeten en geslapen.” Aangezien zijn stiefvader suiker had, hoefde hij niet in dienst en kon hij weer naar huis. „Ik was onmisbaar voor het bedrijf.”

Dat bedrijf is in een lap grond met een koeienstal dat inmiddels ruim veertig jaar wordt gerund door Oostdam. Wie er op bezoek gaat, heeft het gevoel dat de tijd heeft stilgestaan. In de stal, waar hij jarenlang dertig melkkoeien verzorgde, staan nu nog negen kalveren van melkboeren uit de buurt. Zodra ze geïnsemineerd zijn en op het punt van bevallen staan, gaan ze terug naar de melkveehouderij en worden weer vervangen door nieuwe kalveren. Achter de hooischuur grazen de paarden van zijn huurders op het land. En in het oude boswachtershuisje, waar nog maar tien jaar geleden de beerput werd afgedekt en het water nog lange tijd uit de put kwam, zijn de houten vloeren kromgetrokken door het vocht.

In de voorkamer, waar Henk iedere ochtend zijn koffie drinkt en om tien uur stipt acht boterhammen eet, is de bedstee gevuld met rommel. Zelf slaapt hij, sinds zijn bed niet meer op zolder staat, liever in de woonkamer. De slaapkamer ernaast mijdt hij sinds zijn moeder er in 2001 overleed. „Daar wil ik niet komen”, zegt hij resoluut. Haar bed staat er nog steeds, keurig opgemaakt, met groene dekens en een wit, door zijn moeder gehaakt sprei. Foto’s van voorouders hangen aan de muren, vazen met kunstbloemen en een porseleinen hert staan op de schouw.

Foto Annabel Oosteweeghel

Hij wijst op het portret van zijn moeder dat in de voorkamer staat. „Ik werd geboren op een boerderij vlakbij Voorhout, maar mijn vader overleed toen ik drie was. Mijn moeder is al snel hertrouwd en kreeg nog een zoon. We zijn toen hier op de boerderij van mijn stiefvader gaan wonen. Daar ben ik met haar gebleven.”

Porrelen

De eerste melkkoeien kwamen in 1956. Op het land werden bollen, bieten, aardappels en narcissen verbouwd. „Ik gaf niet zo om die bollen”, zegt Henk. „Ik was liever bij de koeien.” Als kind deed hij altijd al kleine klusjes in en om de boerderij – ‘porrelen’ noemt hij dat – maar op zijn twaalfde moest hij ineens alle taken overnemen. „Mijn stiefvader lag in het ziekenhuis. Drie weken lang stond ik om half vijf op om de koeien met de hand te melken. Ik heb het zelf geleerd, niemand heeft het me voorgedaan.”

Op de lagere school deed hij niet zo veel. „Het schoolhoofd hield erg van sigaren. Als ik hem er eentje gaf, mocht ik eerder naar huis.” Daarna ging hij naar de lagere landbouwschool in Leiden. „Dat was te makkelijk. Ik heb nooit huiswerk gemaakt. Eigenlijk zou ik nog doorleren, maar daar is het nooit meer van gekomen. De knecht was weg, er was te veel te doen.”

Vanaf 1975, na het overlijden van zijn stiefvader, nam Henk het bedrijf over. „We hadden dertig koeien. In die tijd kwam de melkmachine, een eenvoudig apparaat met vier stoppen, daarvoor deden we het met de hand.” Het was hard werken, zegt hij. „Maar je had er de tijd voor. Nu is alles geautomatiseerd en grootschalig. Met dertig koeien kan je onmogelijk je brood verdienen.” In die tijd was het ook al lastig, zegt hij. „Maar we hadden onze groenten uit de moestuin. De slager en de bakker kwamen aan huis. Ik hoefde het erf nooit af.”

Dat laatste doet hij nog steeds zelden. Als het aan Henk ligt, blijft hij het liefst bij de boerderij. Een keer in de week gaat hij naar Voorhout om in de Plus boodschappen te doen. Daar betaalt hij contant, met geld dat hij ontvangt van ‘de meiden’ voor het stallen van de paarden. „Pinnen doe ik niet. Als ik een keer extra geld nodig heb, regelt mijn broer dat. Maar ik heb maar weinig nodig.”

Naar de kerk en kaarten

Het andere moment in de week dat Henk niet thuis is, is op zondagochtend. Dan heeft hij de avond ervoor een douche genomen en kan je hem vinden in de Sint-Bartholomeüskerk in Voorhout, daar komt hij al sinds zijn geboorte. „Ik zou me geen raad weten als ik er niet heen kon. Dan heb ik geen zondag hoor.”

Meestal gaat hij daarna kaarten – ‘Chinees jassen’ – bij zijn neef en dan weer op huis aan. Hij vertelt dat hij een aantal jaar geleden op de kerkenveiling de hoofdprijs won: een reis naar Turkije. „Daar kon ik niet veel mee. Die prijs heb ik toen omgeruild voor een koelkast. Waarom zou ik naar Turkije gaan? Een boer past daar toch niet. Ik zou er niemand kunnen verstaan.”

Je doet de dingen voor elkaar, dat vind ik normaal. Tegenwoordig hebben mensen nergens tijd voor

Verre reizen zijn sowieso niet aan hem besteed. „Op mijn tiende ben ik met de klas naar Schiphol gegaan. Een schoolreisje noemden ze dat, ik vond het fietsen wel leuk.” Ook is hij een keertje naar het strand gereden, op de Solex-brommer, samen met zijn moeder. „Daar heb ik staan pootje baden, zwemmen kan ik niet.” En een paar jaar terug is hij een keer over de grens bij Limburg geweest, in België, om te tanken. Dat laatste tripje had hij te danken aan Vicky, één van de vrouwen die haar paarden bij hem stalt, en die hem mee had genomen naar een wedstrijd. Inmiddels beschouwt hij haar, en de andere „meiden”, als zijn familie. „We helpen elkaar. De gezelligheid, daar gaat het om. Anders was ik knap eenzaam gebleven.” Want in het jaar dat zijn moeder overleed, ging het niet goed met hem. „Ik was eenzaam en zo ziek als een hond. Ik had slijm in mijn longen.”

Inmiddels zorgt iedereen goed voor hem: de één maakt schoon, de ander zorgt ervoor dat hij op tijd naar de dokter gaat, soms helpen ze met het uitmesten van de koeienstal. In ruil daarvoor hoeven ze maar weinig huur te betalen. Met dat geld, en zijn AOW, kan hij rondkomen, want dankzij de moestuin en de 35 kippen is hij vrijwel geheel zelfvoorzienend.

„Je doet de dingen voor elkaar, dat vind ik normaal. Tegenwoordig hebben mensen nergens tijd voor. Dat zie je aan de jeugd. Die kinderen van nu zijn altijd druk, dan weer naar judo, dan weer huiswerk. Wij speelden na school buiten met een priktol.”

Boer Henk Voorhout 2018 Natalia Toret-Annabel Oosteweeghel
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Gisteren zag hij het ook weer, in de wachtkamer van de dokter. „Daar zaten er drie achter de telefoon, allemaal sacherijnig naar dat scherm te staren. Dan ben je niet met elkaar bezig.” Zelf heeft hij geen computer in huis, wat dat betreft laat hij de moderne tijd voor wat het is. Op twee uitzonderingen na, want een tv heeft hij wel, om ’s avonds naar de Duitse schlagers te kijken. Ook draagt hij een mobiele telefoon in zijn borstzak. „Die heb ik van de meiden gekregen toen ik 65 werd. Uitbellen kan ik niet, maar als ik gebeld word, dan neem ik op.”

Die 65ste verjaardag werd overigens groots gevierd. Op zondagochtend werd hij, na de mis, door zijn acht huurders met een paardenkoets en alle paarden opgehaald bij de kerk. „We hebben een rondje door het dorp gereden. Geweldig. Ja, ik heb geluk. Dat zij er zijn, heeft mijn leven veranderd. ”

Zou hij ooit nog iets anders van de wereld willen zien? „Nee, ik zit hier goed op mijn eigen plekkie. Hier maak je telkens wat anders mee.”

    • Rosan Hollak