Opinie

    • Maarten Schinkel

Uw staatsschuld: straks nóg dragelijker

Mooi dat economische herstel, maar hoe gaan we nu om met de sterk gestegen staatsschuld? Voordat de kredietcrisis losbrak, bedroeg de gemiddelde staatsschuld in de gevestigde industrielanden 72 procent van het bruto binnenlands product. Vorig jaar was dat 105 procent. Onder invloed van de gunstige economie daalt die schuld relatief wel iets, maar veel is het niet: het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gaat uit van een afname tot 100 procent in 2022, voor wat een prognose op zo’n termijn waard is.

Die schuld is dragelijk omdat de rente zo laag is. Maar wat als er een nieuwe recessie komt? Of als de rente omhoog gaat? Is er dan nog ruimte voor crisisbeleid? Er kan wellicht nóg meer worden geleend, maar dat verschilt per land.

Er bestaat een theoretisch plafond voor de staatsschuld, gedefinieerd door de vraag of beleggers er nog in blijven geloven, massaal weglopen of zeer hoge rentes gaan vragen. De ruimte tussen de schuldquote van nu en dat plafond wordt de ‘fiscal space’ genoemd. De ruimte, zogezegd, die nog mag worden opgevuld met hogere begrotingstekorten.

Erg stevig oogt dat allemaal niet. En al helemaal niet vertrouwenwekkend. En daarom wordt er hard nagedacht over een instrument om dat allemaal in goede banen te leiden. Twee jaar geleden, tijdens de G20-ontmoeting van de belangrijkste landen in de wereldeconomie in het Chinese Chengdu, werd dan ook opdracht gegeven om te kijken naar ‘bbp-gelinkte staatsleningen’. Dat zijn staatsleningen waarvan de hoofdsom (principal-linked) of de hoogte van de rente (coupon-linked) varieert met de economische groei.

Hoewel het idee al veel ouder is – econoom Robert Shiller blies het halverwege de jaren negentig al eens nieuw leven in – zijn verschillende instellingen ermee aan de slag gegaan: het IMF, bijvoorbeeld, en de Bank of England. De overheden van de achtereenvolgende G20-voorzitters China en Duitsland. Verschillende toonaangevende economen, waaronder ook Shiller zelf, brachten twee weken geleden een publicatie uit, waarvan de belangrijkste conclusies terug te vinden zijn bij denktank CEPR en de bijbehorende website voxeu.org.

Het onderzoek naar aan de economische groei gelinkte staatsleningen krijgt vaart

Het idee is dat als de economie inzakt, de schuld of de rentelasten voor overheden draaglijker worden. Als het goed gaat wordt de schuld juist iets zwaarder, of de rente-afdracht hoger. Zo wordt de omgang met de staatsschuld zelf een buffer voor de getijdenwerking van de conjunctuur. Het IMF berekende onlangs dat ook de ‘fiscal space’ er groter door wordt: landen hebben, bij een volgende recessie, meer ruimte om extra te lenen.

Het is natuurlijk de vraag hoe dat in de praktijk allemaal moet. Grootste obstakel: het bbp zelf. De economische groei wordt na elk kwartaal vastgesteld, maar wordt daarna stelselmatig herzien naarmate er meer informatie vrijkomt. Pas jaren later is bbp het definitief, maar om te werken moet dit soort gelinkte staatsleningen natuurlijk juist snel over een referentie-bbp kunnen beschikken. Dan zijn er van tijd tot tijd forse herzieningen van de methodiek zelf, en moeten er waarborgen zijn tegen statistisch gerommel.

Het zal dus even duren voordat er in internationaal verband sluitende definities van deze nieuwe staatsleningen komen, en de zaak juridisch in orde is. Een staatslening is tenslotte een contract. Maar de aanlokkelijkheid is voor overheden groot genoeg om met onderzoek door te gaan. Misschien is de stabiliserende werking wel iets voor de nieuwe eurozone. Al zit misschien niet iedereen daar te wachten op de mogelijkheid voor nóg hogere staatsschulden.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel