Recensie

Tacita Dean draait de tijd de duimschroeven aan

Tentoonstelling

Met haar gefilmde portretten van kunstenaars probeert Tacita Dean grip te krijgen op wat creativiteit is. Haar werk is nu op twee exposities in Londen te zien.

Tacita Dean, Portraits, 2016. 16-mm kleurenfilm, 16 min. Foto’s Frith Street Gallery/ Marian Goodman Gallery

Alsof ze héél langzaam de grenzen van de tijd oprekt. De twee tentoonstellingen van de Engelse kunstenares Tacita Dean, nu tegelijk te zien in Londen, worden gehouden in de National Gallery en de National Portrait Gallery. Die zijn allebei gelegen aan Trafalgar Square, een van de drukste plekken van de stad: een grote bijenkorf van komende en vertrekkende toeristen, werklieden en zakenmensen die allemaal zoveel mogelijk leven bij elkaar willen graaien. En dan loop je Deans expositie in de National Portrait Gallery binnen, en ineens staat alles stil.

Nou ja, bijna dan.

Het portretmuseum verkondigt niet zonder trots dat dit de eerste keer is dat ze een volledige expositie wijdt aan gefilmde portretten. Dat past goed bij de nieuwe koers van het museum, tot voor kort vooral een wat oubollige verzameling van verkapt-wanhopige pogingen om het vieren van roem en Britishness te combineren met hedendaagse kunst. Tegenwoordig erkent het museum dat portretten eigenlijk alleen interessant zijn als ze zich óók afvragen wat een portret eigenlijk is, wat roem betekent en in hoeverre je die in een portret kunt vangen – en dan heb je aan Tacita Dean (1965) een goede.

Dean is de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een van de meest geliefde hedendaagse kunstenaars, met een oeuvre dat bijna gretig tegen de tijdgeest ingaat. Haar films, tekeningen en foto’s zijn traag, kwetsbaar en gaan over zaken als herinnering, het verstrijken van de tijd en de manier waarop je beelden kunt ‘vasthouden’ – beroemd bijvoorbeeld zijn de grote landschapstekeningen die Dean maakt met krijt op schoolborden en die bijna perfect de kwetsbaarheid van een kunstwerk vertegenwoordigen: één aanraking, één veeg en ze zijn onherstelbaar vernietigd.

Still uit Tacita Dean, Merce Cunningham performs Stillness, 2008. 16mm-kleurenfilm, 5 min.
Still uit Tacita Dean, Merce Cunningham performs Stillness, 2008. 16mm-kleurenfilm, 5 min.

Curieus ensemble

Het idee dat een kleine aanraking de hele wereld kan veranderen, komt vaak terug in Deans oeuvre, ook in haar gefilmde portretten. Die vormen een nogal curieus ensemble: Dean heeft namelijk een voorkeur voor oudere, mannelijke kunstenaars. Die dan ook nog beroemd moeten zijn, en aan het einde van hun carrière. Van de acht getoonde portretten zijn er vier van respectievelijk Mario Merz, Cy Twombly, Claes Oldenburg en David Hockney en dan zien we ook nog de hele oude danser en choreograaf Merce Cunningham, de dichter Michael Hamburger, de acteur David Warner en de, opmerkelijke uitzondering, veel jongere vrouwelijke kunstenaar Julie Mehretu.

In al deze werken (behalve dat over Mehretu) gaat Dean op zoek naar wat deze mensen nu zo bijzonder maakt, een menselijke kern, in het volle besef dat de echte vonk al is verdwenen in de mist van een ongrijpbaar verleden. De oorspronkelijke scherpte is er duidelijk al af, maar Dean lijkt tóch te willen terughalen wat deze mannen bijzonder maakte – als een vrouwelijke Orpheus die een mannelijke Euridice uit het verleden terugroept. Dat doet ze door de mannen lang en rustig te observeren in hun meest alledaagse, tamelijk triviale bezigheden: Twombly die gaat lunchen met twee oude vrienden, Hamburger die vertelt over zijn verzameling appels, Oldenburg die loopt te rommelen in zijn ‘muizenmuseum’ (ja, dat heeft-ie) en Hockney die al rokend zijn eigen werk bekijkt. Het is alsof Tacita Dean de mannen probeert stil te zetten om in alle rust om hun persoonlijkheid, hun artistieke brille heen te kunnen lopen – en daarmee iets van grip te krijgen op wat creativiteit is. En herinnering.

Tacita Dean, Mario Merz, 2002. 16-mm kleurenfilm, 8,5 min.
Tacita Dean, Mario Merz, 2002. 16-mm kleurenfilm, 8,5 min.

Alleen de tijd blijft tegenstribbelen, en dat is precies wat deze werken intens en roerend maakt. Neem Mario Merz (2002): daarin filmt Dean de oude Italiaanse kunstenaar, die heel veel lijkt op een bejaarde leeuw, in de zomer in de schaduw onder een boom in zijn tuin. Hij wil eigenlijk weg, Merz, maar Dean vraagt hem nog even te blijven zitten. Dan breekt ineens de zon door en die zet hem in een prachtig, bijna goddelijk licht. Of neem Twombly, die in de zomerse warmte zit te puffen en te blazen als een menselijke klok. Of de brandende sigaret die als een zandloper in Hockney’s mond hangt. Niets houdt de tijd tegen.

Die kwetsbaarheid wordt versterkt doordat Dean haar films consequent draait op 16mm: het korrelige, gefilterde beeld (mét afgeronde hoeken) werpt je terug in het verleden, waarbij het geratel van de projectoren als een nostalgische soundtrack werkt. Dat is meteen ook het gevaar van Deans werkwijze: nostalgie, jezelf verliezen in het verleden ligt steeds op de loer. Maar daaraan zie je ook hoe goed Dean is: hoe ver we ook afdalen in het verleden, altijd blijft de band met het heden intact, de armen van de toeschouwer mogen dan naar het verleden reiken, je voeten blijven stug in het heden staan. Hoe verleidelijk deze mannen soms ook zijn in hun artistieke eigenzinnigheid, Dean vergeet niet dat de tijd haar echte onderwerp is.

Stillevens

Dit alles maakt het ook mooi dat Deans portretten-expositie wordt gecombineerd met een kleine stilleven-tentoonstelling in de National Gallery. Hier draait Dean (in eigen werk en werk van anderen) de tijd nog net iets verder de duimschroeven aan: bijna alle werken, foto’s, schilderijen staan hier stil, en Dean eigen films worden hier zo abstract dat het contact met het echte leven bijna verdwijnt. Het enige wat overblijft, is Deans prachtige blik: een enkele keer van haarzelf, maar vooral geleend van onder anderen Francisco de Zurbarán, John Craxton, Roni Horn en Wolfgang Tillmans. Het zijn allemaal fraaie stillevens. En ook hier stribbelen de getoonde onderwerpen prachtig tegen bij hun overgave aan de stilstand. Er gebeurt bijna niks op al deze werken, maar je voelt de tijd nog natrillen, alsof Tacita Dean er met uiterste precisie tegenaan heeft geblazen. Dat overgangspunt, tussen beweging en stilstand, tussen leven en dood, is het allermooiste.