‘Kranten moeten niet zo bang zijn voor diversiteit’

Diversiteit op redacties Zoë Papaikonomou en Annebregt Dijkman schreven het boek ’Heb je een boze moslim voor mij?’ over hoe je redacties diverser moet maken.

Sylvana Simons en Jazie Veldhuyzen van politieke partij Bij1 op de verkiezingsavond in Amsterdam. Partijen als Bij1, Denk en Nida braken door bij de verkiezingen in maart, maar kregen op tv weinig aandacht. REMKO DE WAAL/ANP

Toen journalist Zoë Papaikonomou als stagiair bij stadszender AT5 meeging op reportage naar Osdorp, viel haar op dat de verslaggever bijna alleen maar witte mensen aansprak. Terwijl de Amsterdamse buitenwijk veel bewoners telt met een migratieachtergrond. Papaikonomou: „Maar het ging niet bewust. Veel collega’s bij AT5 kwamen uit een autochtone, areligieuze omgeving en ze hadden moeite met het aanspreken van Amsterdammers die niet op hen leken’.”

Journalist Papaikonomou (1982) en organisatieantropoloog Annebregt Dijkman (1979) schreven het boek ‘Heb je een boze moslim voor mij?’ over hoe je redacties diverser moet maken. Nederlandse redacties zijn namelijk overwegend wit. Zij interviewden ruim vijftig journalisten en andere betrokkenen en deden onderzoek bij De Correspondent. De auteurs pleiten voor quota – verplichte minima aan journalisten met een migratieachtergrond. Maar bovenal pleiten ze voor ‘inclusiviteit’: redacties moeten niet alleen niet-witte journalisten aannemen, maar ook de zittende redacteuren leren ‘inclusief’ te werken – zodat ze bewust de diversiteit van Nederland weerspiegelen in hun werk.

Waarom is het erg als redacties niet divers zijn?

ZP: „Neem de AT5-verslaggever in Osdorp. Redacteuren kwamen vooral op plekken als Osdorp als er stront aan de knikker was. Zo’n verslaggever sprak dus vrijwel alleen Amsterdammers met een migratieachtergrond als er een ‘probleemitem’ gedraaid moest worden. Dan koppel je hen op den duur aan problemen.”

AD: „Er ontstaan blinde vlekken. Sommige gebeurtenissen kun je niet goed duiden. Denk aan de coup in Turkije en wat dat betekent voor Turkse Nederlanders. Dan komen redacties erachter dat ze dat niet goed snappen. Als je redacteuren met een Turkse achtergrond had gehad, had je dat makkelijker kunnen duiden. Die duiding bepaalt hoe kijkers en lezers denken over Turkse Nederlanders. Het kennisniveau van redacties over migratie en religie moet omhoog.”

ZP: „Daarbij worden kranten ook door machthebbers gelezen. Als die gevoed worden met een eenzijdig beeld van de samenleving, baseren ze daar ook hun beleid op.”

Annebregt Dijkman en Zoë Papaikonomou. Hajar Scholten

De pers moet objectief zijn. Maakt het dan uit wie het nieuws optikt?

AD: „Die objectiviteit stellen we ter discussie. Elke journalist werkt vanuit een eigen perspectief, met zijn persoonlijke bagage. Natuurlijk hou je je aan de feiten en de journalistieke principes, maar wie je vraagt om waarover te spreken, hangt af van je netwerk. Als dat beperkt is en iedereen op elkaar lijkt, krijg je weinig verschillende stemmen. Meer perspectieven leiden bovendien tot een meer kritische redactie. Mensen die dezelfde achtergrond hebben, zijn het eerder met elkaar eens.”

Redacties zeggen: we kunnen ze niet vinden.

ZP: „Natuurlijk zijn ze er wel. Uit de zoektocht naar meer diversiteit van De Correspondent blijkt dat journalisten met een migratieachtergrond denken: de journalistiek, dat is een wit bolwerk, daar nemen ze me toch niet aan.”

AD: „De redacties denken: wij zijn de beste, dus dan kom je maar naar ons toe. Maar voor meer diversiteit moet je zelf actief op zoek gaan, nieuwe netwerken aanspreken.”

Waarom wilt u quota invoeren?

AD: „Je wilt dat een redactie meteen divers is, maar dat gebeurt vaak gewoon niet. Dus moet je diversiteit forceren. Voor het gelijkheidsbeginsel moet je dus eerst discrimineren. Dat voelt tegenstrijdig.”

ZP: „Veel mensen zijn tegen quota. Er wordt dan gedaan alsof er geen quota bestaan. Maar onbewust selecteren we al. Witte mannen zonder migratieachtergrond zijn meestal de baas. Dat zijn de mensen die gaan over het aannemen van nieuwe werknemers. Zij selecteren onbewust mensen die op hen lijken”

Een nadeel van quota is dat je te horen krijgt: je zit hier alleen maar omdat je een allochtoon bent.

ZP: „Quota hebben pas zin als je ook met de zittende redacteuren aan de slag gaat. Anders rennen de nieuwe mensen net zo hard weer weg. Weerstand kun je niet voorkomen, maar je moet de redactie wel het gevoel geven dat er naar ze wordt geluisterd.

„Quota moet geen afvinken worden. Voorop blijft staan dat mensen goed moeten zijn, dat ze de goede opleiding en ervaring hebben. Onervaren mensen worden vaak in het diepe gegooid.”

AD: „Dan is het juist schadelijk, want als er eentje misgaat, krijgt de volgende dat te horen: ‘Ja, dat hebben we wel vaker met die Marokkaanse stagiaires’.”

ZP: „Als stagiair Piet slecht is, dan trekken we de conclusie: ‘Piet is slecht’. Maar als stagiair Ahmed slecht is, dan concluderen we: ‘Alle Marokkaans-Nederlandse stagiairs zijn slecht’.

Zo verdwijnen ze weer, of ze haken zelf af. Wat doe je daaraan?

ZP: „Je moet als gehele redactie de verantwoordelijkheid nemen om meer divers te worden. Diversiteit gaat niet alleen over de ander, maar ook over jou. Je moet niet de eenling met een migratieachtergrond als enige verantwoordelijk maken. Dan moet jij als nieuweling de mastodonten gaan vertellen hoe het anders moet.”

Wat moet er verder nog gebeuren?

ZP: „Je moet op verschillende niveaus iets gaan veranderen: de leiding, de redactiecultuur. Hoe zorg je ervoor dat iedereen zich veilig voelt? Hoe boor je andere netwerken aan? Je moet op woordgebruik letten. Niet klakkeloos moslims alleen maar aan terrorisme koppelen, bijvoorbeeld.

„Je moet als krant niet zo bang zijn. Laat het gewoon weten: ‘We zoeken journalisten met een migratieachtergrond’. Dat heeft De Correspondent ook gedaan. Doe niet alsof niemand ziet dat je wit bent en worstelt met diversiteit.”

Zoë Papaikonomou en Annebregt Dijkman: ‘Heb je een boze moslim voor mij?’ Amsterdam University Press, 176 blz. € 24,95
    • Wilfred Takken
    • Maartje Geels