Recensie

Industriële vormen voor een anti-romantische wereld

Beeldende kunst Twee binnententoonstellingen eren de beeldtaal van een kunstenaar die zijn beelden het liefst op straat zag, in contact met de buitenwereld.

Zijn naam kent u misschien niet, maar zijn werk kent u wel: de zwarte buis met gaten naast de snelweg bij Voorburg. De bogen die bij de Utrechtse Jaarbeurs stonden. Of anders de enorme cirkel op het plein voor de Amsterdamse Stopera. Allemaal zijn het sculpturen van André Volten (1925-2002), de beeldhouwer die vanaf de jaren zeventig monumentale geometrische vormen de wereld in stuurde. Al herkent niet iedereen die als kunst, zoals een buitenschilder in Rotterdam die een paar jaar geleden de gevel van een kantoorpand in de verf zette – inclusief Voltens metaalreliëf. Weg kunstwerk.

Dat gevaar lopen niet Voltens beelden die nu te zien zijn in twee tentoonstellingen, die zijn veilig binnen. De een in Beelden aan Zee in Scheveningen en de ander in zijn voormalige atelier in Amsterdam-Noord. Op beide plekken staan en liggen zijn cirkels en geperforeerde kubussen te glanzen. Volten werkte eerst met hout, blijkens enkele vroege organische beelden in Scheveningen, die hij bewerkte tot abstracte glooiingen. Daarna stapte hij over op staal, messing, koper, wat hij met stoom en hitte en spierkracht temde tot industrieel uitziende abstracties. Een naadloze perfectie die zo ver mogelijk af staat van het ruwe erts waar het uit ontstaan is.

Droogzwemmen

De tentoonstelling in Scheveningen verkent die beeldtaal nauwgezet, maar daar zou je die gladde vormen kunnen verwarren met design. En dat klopt niet. Het was bedacht voor op straat. Voor een kunstenaar die liefst in opdracht werkte, in het vuil en de drukte van de stad, is een binnententoonstelling als deze een soort droogzwemmen: mooi, maar niet het echte werk. Buiten, daar krijgen die buizen tussen beton en verkeer een andere betekenis. Ze herhalen de zakelijke beeldtaal en schaal van architectuur, maar voegen daar glooiingen, ritmiek, glans aan toe, als heksenkringen en totems voor een zakelijke kantoorwereld.

Die kantoorwereld verrees in de jaren zeventig en tachtig op vaak anti-romantische – lees: lelijke – wijze, maar kunstenaars in die tijd lieten zich niet kennen. Die gingen gewoon mee. Onder de noemer omgevingsvormgeving ontwierpen ze uit staal en beton de bijbehorende – lees: corrigerende – pleintjes, gevels, interieurs. Uit die geschiedenis komt Volten. Ook hij wilde in opdracht werken maar liet zijn kunst niet volledig oplossen in de gebouwde omgeving. Dus ging hij van al die bouwmaterialen, staal en H-balken, toch zelfstandige sculpturen maken – maar wel met inachtneming van hun omgeving. Dat was een ingewikkelde balans.

Open atelier

Dat dat een knap lastige zoektocht was, dat zie je pas goed op die tweede tentoonstellingslocatie, in Amsterdam-Noord. Daar is Voltens voormalige atelier opengesteld met overal gereedschap, meubeltjes, stukken hout, steen, honderden kleine modellen. Daar voel je de energie van een man die uitputtend al die vormen verkende. Want als je je beeldtaal zo beperkt, dan luistert het resultaat nauw. Overal liggen net niet identieke bollen, rasters, raampjes, eindeloze probeersels. Sierlijk zijn ze, hard, en bloedserieus. Nooit een kwinkslag. En design is het zichtbaar niet.

Wat het wél is, dat zie je er vooral als je uit het raam kijkt: in dit havengebied in transitie is een stukje gras alvast bezet door een beeldengroep van dertien stuks zwaar beton – koosnaampje ‘Stonehenge’. Als hier de stad de komende tijd uitbreidt, dan blijft dit potentiële begin van een beeldentuin vast wel liggen. Want til dit maar eens weg. Dat zou een tuin kunnen worden die herinnert aan een tijd dat Nederland er niet mooi uit leek te wíllen zien, behalve wanneer het aan de kunst lag.

    • Sandra Smets