‘Helft jonge vrouwen werkt niet vrijwillig in deeltijd, dat fnuikt ambities’NRC checkt:

Dat zei minister Van Engelshoven (Onderwijs, D66) begin maart op een bijeenkomst in Tilburg.

De aanleiding

Voor minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) is vrouwenemancipatie een belangrijk thema. Op een campagnebijeenkomst van D66, begin vorige maand in Tilburg, maakte ze daar een punt van. In een interview met onderwijswethouder Marcelle Hendrickx zei de minister: „De helft van de jonge vrouwen werkt niet vrijwillig in deeltijd. Dit fnuikt ambities.” We checken of die bewering klopt.

Waar is het op gebaseerd?

De politiek assistent van de minister laat weten dat zij zich baseert op een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). In dat onderzoek genaamd Werken aan de start werden begin dit jaar de resultaten van de verschillen tussen jonge mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt gepresenteerd.

En, klopt het?

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat in Nederland 4,2 miljoen mensen in deeltijd werken. Tegenover hen staan 4,4 miljoen voltijdwerkers. Deeltijdwerk wordt gedefinieerd als minder dan 35 uur per week werken.

In geen enkel Europees land werken zo veel mensen in deeltijd als in Nederland. Uit het onderzoek van het SCP blijkt dat van de vrouwen onder de 25 in Nederland liefst 63 procent in deeltijd werkt, van de mannen onder die leeftijd werkt 30 procent in deeltijd.

Van de vrouwen onder de 25 wil volgens het rapport „bijna de helft” meer uren werken dan ze op dat moment doen. Dat geldt ook voor mannen in dezelfde leeftijdscategorie. Vooral mensen die in de handel en horeca in deeltijd werken – zowel mannen als vrouwen – zouden graag meer uren willen werken.

Volgens Ans Merens, emancipatieonderzoeker bij het SCP en auteur van het rapport, zijn er meerdere redenen waarom jonge mannen en vrouwen vaker in deeltijd werken: „Voor starters op de arbeidsmarkt zijn er nu eenmaal minder voltijdbanen. Ook is je onderhandelingspositie minder sterk als starter, dus je zegt sneller ja tegen een baan.”

De basis voor de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen wordt volgens Merens nog voor die eerste baan gelegd. „Vrouwen maken meer kans op deeltijdwerk. Ze volgen relatief vaker opleidingen voor de zorg of het onderwijs en daar wordt veel vaker werk in deeltijd aangeboden. Mannen kiezen nog steeds relatief vaker voor een technische opleiding, waar meer werk in voltijd is.” Al in de keuze voor de opleiding schuilt een probleem.

Volgens Merens wil „een klein deel van de jonge vrouwen die in deeltijd werken een voltijdbaan, andere willen wat meer uren gaan werken”. In hoeverre hun ambities worden gefnuikt, zoals de minister stelt, is onduidelijk. „Dat zijn de woorden van de minister”, aldus Merens. Uit het SCP-rapport blijkt dat een kwart van de vrouwen tussen de 26 en 30 jaar die in deeltijd werken, graag meer uren wil. Bij de vrouwen tussen de 31 en 35 jaar is dat nog maar 16 procent.

Dat deze vrouwen minder behoefte zeggen te hebben aan meer uren, kan volgens het rapport komen doordat ze al meer uren hebben gekregen (maar nog steeds minder dan 35), of doordat ze minder willen werken als ze kinderen krijgen. Onderzoeker Merens voegt daaraan nog een mogelijke oorzaak toe: „We weten uit ander onderzoek dat de ambities die mensen aanvankelijk hebben minder kunnen worden, als zij bijvoorbeeld geen steun krijgen van hun leidinggevende.”

Conclusie

We checkten de uitspraak van minister Van Engelshoven dat „de helft van de jonge vrouwen onvrijwillig in deeltijd werkt” en dat dit hun „ambities fnuikt”. De stelling van de minister dat de helft van de jonge vrouwen onvrijwillig in deeltijd werkt, klopt. Of daardoor hun ambities afnemen, is echter niet te zeggen. We beoordelen de uitspraak daarom als grotendeels waar.

Ook een bewering zien langskomen die je gecheckt wilt zien? Mail nrccheckt@nrc.nl of tip via Twitter met de hashtag #nrccheckt