Onderwijs

De overheid moet niet ingrijpen bij linkse wetenschap

Onderwijsblog De staatsbureaucratie is al ernstig genoeg. Laat de universiteit zelf discussiëren over linkse wetenschap, schrijft Eric C. Hendriks.

ANP Remko de Waal

Er woedt een wetenschapsoorlogje in de NRC. De opiniestukken over ‘postmodernisme’, ‘neoliberalisme’ en ‘ideologische disciplines’ vliegen je om de oren. De Duitsers noemen zo’n langlopende, intellectuele krantendiscussie een ‘Feuilleton-Streit’. Prachtig genre.

Mijn essay van vorige week over politisering en bureaucratisering op de universiteit stelt dat activistische ideologieën, de wetenschappelijke autonomie van delen van de geesteswetenschappen ondermijnen. Ik noem genderstudies, cultural studies en postkolonialisme. Die disciplines zijn in aanleg gepolitiseerd, ze dragen teveel politieke ideologie de universiteit in en ze schieten tekort qua zelfreflectie en autonome wetenschappelijkheid. Gelukkig beperkt dit probleem van politisering zich tot kleine stukjes van het academische landschap. De autonomie van de academische wereld als geheel wordt bedreigd door andere krachten, waaronder de te grote afhankelijkheid van de staatsbureaucratie en haar kwantificerende evaluatieschema’s.

Nu moeten we bij het analyseren van zulke bedreigingen niet doorschieten. De Nederlandse wetenschap functioneert behoorlijk autonoom en staat internationaal goed te boek. Ik schrijf vanuit China en het contrast met de hier heersende orde is me zeker niet ontgaan. Maar dat het in Nederland beter gaat dan in de meeste landen, wil niet zeggen dat kritische reflectie zich niet loont. Nadenken over de wetenschappelijke autonomie kan nooit kwaad, toch?

Interventie

Nou daar bleken sommige critici anders over te denken. Tot mijn verbazing zijn er zelfs critici die denken dat ik voor politieke interventie pleit. Dat stelt het verontwaardigde tegenstuk op de site van de Leidse docent cultural studies en activist Bram Ieven en UvA-promovendus kritische theorie Jan Overwijk. Ik zou politiek Den Haag ertoe willen bewegen om geïdeologiseerde disciplines aan te pakken of af te schaffen.

Bij mij doemt het beeld op van de ME die de literatuurwetenschappen-faculteit van de UvA binnenstormt. Er wordt gegild: ‘Fascisten!’ Printjes vol stroeve, verontwaardigde zinnen vliegen door de lucht. Een aangeslagen, slechtgeklede jongeman mompelt iets over ‘de kolonisatie van het zwarte lichaam’.

Maar natuurlijk ben ik niet voor een politiek ingrijpen. Ben je mal? Je kan de wetenschappelijke autonomie niet versterken door vanuit de staat in te grijpen. Dan zou je van staatswege uit trachten de universiteit te redden van politisering en staatsbureaucratische invloed. Op die manier haal je de politiek en de staat juist verder naar binnen. En welke instantie zou moeten beoordelen wat wel of niet te geïdeologiseerd is?

Autonomie

De autonomie van een maatschappelijk veld kan zich alleen van binnenuit versterken. Ik heb niets anders gesuggereerd. En in een eerder NRC-stuk en een interview met filosoof Sid Lukkassen (mijn tweede Weltschmerz-interview, vanaf minuut 34:45) stel ik expliciet dat discussie, overreding, zelfreflectie en zelfoverstijging binnen de academische gemeenschap de enige middelen zijn.

Lees ook: Er waart een cultuurmarxistisch spook door ons diversiteitsdebat

Met opiniestukken kun je een discussie aanzwengelen – en niets meer. Er is nooit een directe omzetting naar beleid of bestuur. Je oefent als opinieschrijver alleen directe invloed uit op een journalistieke discussie, maar veel academici lezen mee. Die gaan er vervolgens in alle rust over nadenken. Op den duur worden er dan van binnen de wetenschappelijk wereld zelf uit, dingen wel of niet in beweging gezet. Academici treffen hun eigen oordelen, maken hun eigen inschattingen en weten elkaar onderling wel of niet te overtuigen. Dat is het proces. Vanuit de journalistiek kan je alleen wat reflectie aanleveren. Je kunt nergens gerichte sturing aan geven. Daarvoor zijn de schakels tussen publieke discussies en de wetenschappelijke praktijk te complex en onvoorspelbaar.

Er wordt door niemand opgeroepen tot een politieke interventie. Hier is verwarring over ontstaan, omdat de discussie over ideologisering en zelfcensuur vorig jaar begon in de Tweede Kamer, namelijk met de motie van VVD’ers Pieter Duisenberg en Karin Straus. Deze motie leidde tot het verzoek aan het KNAW om een advies op te stellen over de mogelijke dreiging van zelfcensuur en blikvernauwing op Nederlandse universiteiten. Overwijk en Ieven denken dat de motie een poging was tot „politieke inbreuk op de vrije wetenschap”. Noem me naïef, maar dat was volgens mij nooit de insteek. Het KNAW is bovendien geen politiek orgaan. Het is een wetenschappelijk instituut met een onderzoekende en adviserende functie richting zowel de wetenschap als de staat.

Spoken

Het andere deel van het verhaal zijn de heftige emoties. Sommigen voelen zich zo aangevallen door mijn kritiek, dat ze overal spoken zien. Zo denken Overwijk en Ieven dat mijn analyse onderdeel is van een grote aanval op de wetenschap, sociale rechtvaardigheid en de democratie. Jeetje. Bovendien zou mijn essay „onthullen” dat er „korte lijntjes” lopen tussen „de zittende macht” en „politieke complottheorieën”. Oh? Ze verwijzen naar het contact vorig jaar tussen de excentrieke Lukkassen (in hun ogen een gevaarlijke complotdenker) en Duisenberg, die nu voorzitter is van de Vereniging van Universiteiten en vorig jaar de motie over zelfcensuur initieerde toen hij voor de VVD in de Tweede Kamer zat. Ik berichtte over dat contact in mijn essay. Tja, dat die twee vorig jaar via email van gedachte gewisseld hebben, is verder niet zo schokkend hoor. Maar Ieven en Overwijk geloven dat het contact aantoont dat Duisenberg eigenlijk onder de invloed van Lukkassens filosofie opereert en dat beide onderdeel zijn van een een vijandige „politieke beweging”. Ze verwijzen ook nog even suggestief naar de NSB.

Ik begin het gevoel te krijgen dat ik wat mensen boos heb gemaakt

Duisenberg zou intenties hebben die het daglicht niet verdragen: „Openlijk de politieke motivatie achter zijn motie naar zelfcensuur erkennen, zou hem blootstellen aan een verregaande kritiek.” Het wantrouwen zit diep. Bram Ieven schreef vorig jaar een polemiek over Duisenberg in het Leids universitaire weekblad Mare. Daarin lezen we dat Duisenberg een „reactionaire kruisvaarder” is van „een rechts-conservatief gedachtegoed dat gedreven door rendementsdenken enerzijds, en door een angst of haat voor de indirecte maar zeer reële impact van het kritische denken over gender en kleur anderzijds, dit intellectuele en maatschappelijke project wil kortsluiten.” Hij vormt „een probleem” voor de universitaire gemeenschap en de democratie. We noteren: tegen vrouwen en niet-blanken, tegen vrije wetenschap, tegen de democratie, vervuld van haat. Voor Ieven is Duisenberg niet gewoon een bestuurder met slappe VVD-praatjes – maar het vleesgeworden kwaad.

Boos

Ik kom er beter vanaf, hoewel de auteurs wel denken dat ik ze wellicht van de universiteit wil verjagen: „En ja, ook Hendriks mag daar [op de universiteit] gewoon zijn. Hopelijk is en blijft het wederzijds.” Ik begin het gevoel te krijgen dat ik wat mensen boos heb gemaakt. Dat leid ik ook af uit de berichten die via sociale media tot mij komen. Zo vernam ik op Twitter dat de Groningse statisticus Casper Albers zelfs in mijn biografie een kwaadaardige opzet denkt te ontwaren. Hij tweette de bio die NRC bij mijn opiniestukken plaatst: „Eric C. Hendriks studeerde humaniora in Utrecht en Chicago en promoveerde in Duitsland. Hij is socioloog aan Peking University” – en leverde er het volgende commentaar op:

„De omschrijving van de schrijver is al genoeg om het stuk te negeren. Even lekker wat locaties droppen om belangrijk over te komen. Alsof een socioloog in Utrecht of Amsterdam niks voorstelt.”

Locaties droppen? Dat is gewoon mijn bio. Daar val ik toch verder niemand mee aan? Albers doet alsof ik mijn hele jonge leven erop ingericht heb om hem en anderen te kleineren. (Nu moet ik wel toegeven dat ik mijn pretentieuze ‘C’ initiaal voer ter terrorisering van Groningse statistici.)

Politiseringslogica

Maar er kwam ook nog iets goeds uit de laatste ronde schermutselingen: een Leidse promovenda die ‘het dekoloniseren van de historiografie over Afrika’ onderzoekt en zichzelf als ‘feministe’ aanduidt, formuleerde precies het idee die ik aan de kaak wil stellen. Dit is het idee dat „alle menselijke interactie politiek is”. Dat lijkt me onwaar en de oerfout van ideologische denken.

De discussie vond plaats op Twitter. Mijn essay van vorige week werd aangevallen door tal geesteswetenschappers uit de hoek die ik bekritiseer. Ze stoorden zich ondermeer aan mijn aanname dat goede wetenschap de politieke ideologie op afstand houdt. Ik stel dat de strijd tegen ideologie vooral een strijd is die de wetenschapper en de filosoof met zichzelf moeten aangaan. Natuurlijk hebben academici en filosofen altijd persoonlijke overtuigingen en een bepaalde plaatsbepaaldheid. Juist daarom moeten we onszelf proberen te overstijgen, onszelf uitdagen en onze wereld vergroten. We moeten de Platoonse grot van de ideologie zoveel mogelijk trachten te ontstijgen. De Leidse promovenda reageerde: „Geloof je dat echt? Komt op mij over als absurde stellingname. Ik zou zeggen dat alle filosofie politiek en ideologisch geïnspireerd is. Zonder dat lijkt het me eveneens betekenisloos omdat alle menselijke interactie politiek is.”

Kijk, daar heb je hem: de politiseringslogica. De dragers van politiseringsprojecten zeggen nooit: ‘Gòh, zullen we even lekker gaan politiseren.’ Nee het is verhaal is altijd dat alles al een politieke dimensie heeft, al doordrongen is van ideologie en onderdrukking. Het patriarchaat onderdrukt vrouwen; het kapitalisme verslaaft het proletariaat; het Europese kolonialisme werkt door in een hedendaags onderdrukkingssysteem dat de levens van niet-blanken saboteert. De activist zou niet degene zijn die politiseert, omdat het politieke omnipresent is in de samenleving zelf. Alledaagse sociale interacties zouden helemaal vol zitten met ideologie en onderdrukking, met slechte politiek dus, wat alleen te bestrijden is met goede, emancipatoire politiek.

Het persoonlijke is politiek

Naar de bekende leus ‘Het persoonlijke is politiek’, zouden we het politieke overal in ons persoonlijke leven aantreffen. De Britse journalist Christopher Hitchens schreef daarover: „I remember very well the first time I heard the saying ‘The Personal Is Political’. … I knew in my bones that a truly Bad Idea had entered the discourse.” Een Slecht Idee in hoofdletters.

In werkelijkheid wordt het verhaal dat het politieke overal al in zit, namelijk vaak gebruikt om een oprukkende ideologisering te verhullen en te legitimeren. We moeten claims dat iets al politiek is, daarom altijd met een voorzichtige scepsis begroeten. En als iemand stelt dat álle menselijke interactie politiek is, dan weten we hoe laat het is. Die persoon eist voor zichzelf een vrijbrief op om met de eigen ideologie overal binnen te vallen, bijvoorbeeld in de academie. De wetenschap zou toch al vol ‘slechte politiek’ zitten, dus moeten we er vooral meer ‘goede politiek’ tegenaan gooien ter compensatie. Deze zelfgerechtigheid, die door moet gaan voor een ‘kritische’ houding, is extra schadelijk in combinatie met de idee dat het ideologische niveau niet overstegen kan worden en het ideaal van wetenschappelijke afstandelijkheid zelf onderdeel is van een ideologisch onderdrukkingssysteem.

Dagdromend fantaseer ik soms dat de grote politieke tragedies van de moderniteit allemaal begonnen zijn met één jonge activist, die op een zekere dag een profetisch inzicht met zijn vrienden deelde: ‘Kameraden, ik heb het! Je moet eerst een goede ideologie hebben, met een slachtoffer-narratief en een eenduidige formule van goed en kwaad, en die moet je vervolgens overal op toepassen. Dat kan nergens schade aanrichten, omdat alles in de wereld eigenlijk toch al beheerst wordt door politieke ideologie, maar dan van de slechte soort. We moeten al die slechte politiek overschrijven met onze goede politiek.’

Kim Il Sung Universiteit

Gelukkig vormt zulke politisering alleen een overheersend probleem in een paar uithoeken van het Nederlandse academische landschap. Over de gehele linie genomen is het vruchtbaarder om na te denken over spanningen tussen autonoom wetenschappelijke en staatsbureaucratische evaluatieschema’s. Het regime van visitatiecommissies, rankings, papergekte, managementspraatjes en kwantificering werd tien jaar geleden bekritiseerd door de filosoof René Boomkens in een interessant boekje getiteld Topkitsch en slow science.

Tenslotte neem ik de kritiek van de Leidse Korea-deskundige Remco Breuker ter harte. Hij schreef dat mijn essay een „te statisch” beeld van geïdeologiseerde disciplines schets en dat er al van alles beweegt in de academische wereld.

Over Korea gesproken: op het moment dat dit stuk verschijnt, zal ik in Pyongyang zitten voor een korte reis. In mijn reisgezelschap bevindt zich een Brit die eerder een half jaar op de Kim Il Sung Universiteit heeft gestudeerd. Dat is pas een gepolitiseerde universiteit. Een extreem natuurlijk. ‘Politiek goed’ is er bijna synoniem met ‘wetenschappelijk goed’, omdat politieke evaluatieschema’s de wetenschappelijke direct kunnen overschrijven. Het curriculum van de sociale- en geesteswetenschappen is volledig geïdeologiseerd. Autonome wetenschappelijke waarheidsvinding is er bijna onmogelijk.

Nederlandse universiteiten zijn gelukkig wel het minst Kim Il Sung-achtig van alle universiteiten op aarde. Als de universiteiten ergens een domein van vrije reflectie zijn, dan is het wel in Nederland. Dat is de achtergrond waartegen deze hele discussie zich afspeelt. Bij kritiek en oordeelsvorming gaat het om de juiste verhoudingen en om afstand.

Eric C. Hendriks studeerde humaniora in Utrecht en Chicago en promoveerde in Duitsland. Hij is socioloog aan Peking University.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs.