Wat Hitchcock van de liefde weet

Achtergrond Hoe doe je dat eigenlijk, filosoferen over film? De Amerikaanse filosoof Robert B. Pippin, een van de interessantste hedendaagse denkers over film, buigt zich over Hitchcocks ‘Vertigo’.

Noodzakelijke illusies: Scottie (James Stewart) en Madeleine/Judy (Kim Novak) in Hitchcocks ‘Vertigo’.

Haast ongemerkt heeft de Amerikaanse filosoof Robert B. Pippin zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een van de interessantste denkers over film. Pippin is als filosoof verbonden aan het prestigieuze, interdisciplinaire Commitee on Social Thought van de Universiteit van Chicago. Zijn opmars als filmfilosoof – hij maakte eerder carrière als Hegel-kenner – voltrok zich enigszins in de schaduw, omdat Pippin geen denker is van daverende, allesverklarende theorieën die veel aandacht trekken.

De laatste jaren verscheen een reeks boeken, die weliswaar beknopt zijn van lengte, maar rijk aan inzichten. Pippin boog zich achtereenvolgens over westerns, film noir en Hitchcock. Eerst was er Hollywood Westerns and American Myth. The Importance of John Ford and Howard Hawks for Political Philosophy (2010), daarna Fatalism in American Film Noir. Some Cinematic Philosophy (2012) en onlangs verscheen The Philosophical Hitchcock. ‘Vertigo’ and the Anxiety of Unknowingness. Veel van dat werk is gebaseerd op lezingen, die gemakkelijk zijn terug te vinden op YouTube (zoals hier over westerns, hier over Hitchcock). Een boeiende beschouwing over filmstijl en de sociale verhoudingen in de films van de Waalse broers Dardenne heeft nog niet tot een boekpublicatie geleid.

Beste film aller tijden

Maar wat kunnen filosofen eigenlijk bijdragen aan de manier waarop we naar films kijken? En kan film vervolgens iets bijdragen aan het verhelderen van filosofische kwesties? Dat laat zich volgens Pippin alleen van geval tot geval aantonen, in specifieke beschouwingen over specifieke films. Hoe gaat hij te werk bij Vertigo?

De film uit 1958 is regelmatig uitgeroepen tot beste film van Alfred Hitchcock en zelfs tot beste film ooit gemaakt. Vertigo gaat over de aan hoogtevrees lijdende detective Scottie (James Stewart), die een erotische obsessie ontwikkelt voor de vrouw die hij in opdracht van haar echtgenoot moet volgen. Madeleine (Kim Novak) zou lijden aan de waan dat de geest van een van haar voorouders, Carlotta Valdes, in haar is gevaren; een vrouw die om het leven kwam door zelfmoord. Inderdaad doet Madeleine vervolgens een zelfmoordpoging door in de baai van San Francisco te springen. Scottie vist haar op, neemt haar mee naar huis en de twee beginnen een affaire. Maar in werkelijkheid heet Madeleine Judy en blijkt ze onderdeel te zijn van een complot om de echte Madeleine te vermoorden. De misleide Scottie moet daarbij de rol spelen van getuige die kan verklaren dat Madeleine is omgekomen door zelfmoord.

Voor Pippin is Vertigo aanleiding voor een virtuoze beschouwing over de rol van vertrouwen in de moderne samenleving; een maatschappijvorm waarin het sociale verkeer zich niet meer afspeelt tussen bekenden in een overzichtelijk dorp, maar waarbij voortdurende omgang met vreemden de norm is. Ook reflecteert hij op de fundamentele rol van fantasie, verbeelding en zelfs wanen in de romantische liefde.

Over Vertigo is al veel geschreven. Pippin is bepaald niet de eerste die constateert dat bedrog en zelfbedrog fundamenteel zijn voor de filmwereld van Hitchcock. Maar dat het thema zo precies, genuanceerd en in al zijn implicaties wordt uitwerkt, is bijzonder.

Denken in beelden

Daarbij gaat het niet zozeer om de nogal bizarre plot van de film, maar om de psychologische en filosofische betekenis van de beelden die Hitchcock heeft gecreëerd. Pippin analyseert het ritme van de montage, de invalshoek van de camera, de kleurstelling van scènes, de plaats in de film van de filmmuziek en vooral het spel en de gezichtsuitdrukkingen van de hoofdrolspelers. Filosoferen over film is filosoferen over beelden.

Pippins conclusies zijn uiterst subtiel. Volgens de filosoof is het Hitchcock niet te doen om een simplistische tegenstelling tussen waarheid en leugen, authenticiteit en bedrog. Zonder schijn kan namelijk niemand leven. Romantische illusies en fantasieën maken iemand niet alleen kwetsbaar omdat ze kunnen leiden tot een hoop ellende; illusies zijn ook onvermijdelijk en zelfs onmisbaar voor de liefde, die anders snel verbleekt. Als Scottie zich aan het einde van de film heeft bevrijd uit het web van leugens waarin hij verstrikt was geraakt, is hij geen heroïsche figuur, maar eerder een tragische verschijning. Pippin: „Sommige illusies, sommige fantasieën, worden met een te groot gebaar weggevaagd en te hardhandig doorgeprikt, waardoor iets vernietigd wordt dat essentieel is om goed te kunnen leven, in het bijzonder voor de romantische liefde.”

Dat hij als filosoof iets te zeggen heeft over film, toont Pippin met The Philosophical Hitchcock overtuigend aan. Maar waarom heeft een filosoof eigenlijk een film – of een roman of een schilderij? – nodig om te kunnen denken over thema’s als romantische liefde, vertrouwen en illusie? Volgens Pippin laten zulke begrippen zich niet in simpele, rechttoe-rechtaan definities vangen, maar kunnen we er alleen meer greep op krijgen door nauwkeurige observaties van de sociale wereld; de wereld zoals die is verbeeld door een kunstenaar als Hitchcock. Bij grote kunstenaars hebben dergelijke thema’s altijd een betekenis die verder strekt dan alleen de wereld van de personages. Filosoferen kan niet zonder verbeelding.

Hitchcocks bedoelingen

Daarbij doet het er niet zo vreselijk veel toe of de filmmaker in kwestie al die thema’s ook bewust en weloverwogen in de film heeft gestopt; doorslaggevend is alleen of de film rijk en subtiel genoeg is voor reflectie. Pippin gaat uit van de veronderstelling, schrijft hij, dat er een ‘collectieve intelligentie’ achter de film schuilgaat. Of Hitchcock – of John Ford in een western, of Howard Hawks in een gangsterfilm – daarbij alles ook precies zo heeft bedoeld, is van minder belang.

Maar hoe weet Pippin dan dat hij zijn filosofische observaties niet zelf in de film heeft gelegd en dat hij zich niet bezondigt aan over-interpretatie? Dat probeert hij te voorkomen door voortdurend verbanden te leggen met concrete, visuele details van de film. En niet alleen aspecten van de film die het beste bij zijn inzichten passen, maar de héle film.

Pippin maakt zo denken concreet, en films filosofisch. Hij geeft onmiddellijk toe dat de kijker een film als Vertigo meer dan eens zal moeten zien om al de betekenissen op het spoor te komen. Maar de beste films zijn daar niet alleen tegen bestand, ze zijn er zelfs voor gemaakt.

Robert B. Pippin: The Philosophical Hitchcock. Vertigo and the Anxieties of Unknowingness. The University of Chigaco Press, 132 blz. 29,95 euro
    • Peter de Bruijn