Opinie

    • Maxim Februari

Juristen en onderdanen móéten zich ergeren

Het kan geen kwaad eens een staatsrechtgeleerde te citeren. In een kritische bui zijn rechtsgeleerden gezaghebbende bronnen om op terug te vallen en onder hen zijn staatsrechtgeleerden wel de allergezaghebbendsten. Gelukkig dus maar dat ik in een kritisch laatje in mijn kritische hoofd een staatsrechtelijk citaat heb liggen dat van pas komt.

In elke natie zijn er twee groepen die elkaar perfect aanvullen in hun taken. Je hebt de zwoegers die het werk doen: treinmachinisten, ondernemers, moeders, ministers. En de parmantigen die daar commentaar op leveren: twitteraars, data-analisten, onderzoekers, columnisten. Heb je besloten tot de laatste groep te behoren, dan is dat niet altijd een carrièrekeuze om trots op te zijn.

Jajaja, ik weet wat ze zeggen, dat identiteiten fluïde zijn en dat niemand alleen maar óf hardwerkend óf kritisch is. Sommige hardwerkende politici sturen ontregelende tweets rond, sommige kritische geesten komen met reddende oplossingen, sommige columnisten vallen wel mee in real life. Maar toch is het goed de twee taken, werk en kritiek, eens geïsoleerd te waarderen. En dan kan ik degenen die kritiek als louter gemakzucht zien, het citaat uit mijn hoofd van harte aanbevelen. Zeker, onze hardwerkende bestuurders doen veeleisend werk. Nou en of. Complimenten en dank voor de inzet! „Maar wij mogen ons als jurist en onderdaan wel ergeren.”

Staatsrechtgeleerde Tijn Kortmann, gestorven in 2016, hield in 2009 een afscheidscollege waarin hij de verhouding besprak tussen de macht en het recht. Macht, zei hij, en hij citeerde Augustinus – „macht corrumpeert”. Dat uitgangspunt ligt ten grondslag aan het staatsrecht: dat moet er namelijk niet alleen voor zorgen dat een overheid bevoegd is tot handelen, maar ook dat daar grenzen aan zijn.

Bij corruptie van de macht hoef je niet meteen aan het ergste te denken: buigen voor volk of autoriteit geldt ook als corruptie. CDA-senator Ad Kaland zei in de vorige eeuw dat leden van de Tweede Kamer zich te vaak als ‘stemvee’ gedragen. Staatsrechtjurist Kortmann geeft hem in zijn afscheidsrede gelijk, om er meteen aan toe te voegen dat het zelfde opgaat voor leden van de Eerste Kamer. „Dit alles heeft, anders dan wel wordt gesteld, veel minder te maken met regeerakkoorden dan met een verontrustend conformisme en meeheulen met de machthebbers en praatjesmakers. Deze laatste zin hoeft u niet te noteren. Want zij behoort niet tot het staatsrecht. Zij is echter wel juist.”

Kortom, juristen en onderdanen mogen zich ergeren, nee, zij moeten zich ergeren. Zelfs al zien ze te vaak over het hoofd hoe het zware werk wordt verzet door degenen met verantwoordelijkheid voor complexe problemen. Als ze zich moeten ergeren, dan ook niet omdat het zo lekker oplucht, maar omdat ze wel degelijk een eigen taak hebben te vervullen. „Wij moeten zelfs klaarwakker zijn en blijven.” Vooral als autoriteiten beginnen over democratie, rechtsstaat en scheiding der machten. „Want overheden zelf houden veelal niet van deze principes.”

De afscheidsrede van Kortmann scharrel ik op omdat die uitgebreid ingaat op het referendum. De jurist was er, net als veel andere juristen, niet voor. En toen er in 2005 op basis van een snelle ad-hoc-referendumwet een raadgevend referendum werd gehouden over een Europese Grondwet die geen Grondwet was, en toen vervolgens de niet-bindende afwijzing „de facto als bindend werd gezien”, en de regering daarop haar wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag introk, was dat „uit volkenrechtelijk oogpunt kwestieus”.

Maar toen het Verdrag twee jaar later met minimale aanpassingen opnieuw ter goedkeuring voorlag, zou een tweede referendum wel „min of meer consequent zijn geweest”. De regering had niettemin geen zin in een referendum, „en daarin had en heeft zij groot gelijk”, schrijft Kortmann. „Zij, noch de Raad van State durfden dat echter kennelijk openlijk te zeggen”. En dus beweerden ze dat dit een heel ander Verdrag was. „Van beide instellingen”, schrijft de staatsrechtgeleerde, „typisch raison d’État-opereren.”

En nu er dus opeens weer een ad-hoc-intrekkingswet ligt, moet ik me aan al dat ad-hocgedoe en raison d’État-opereren als onderdaan ergeren, vind ik. Niet om vanachter mijn parmantige laptopje gemakzuchtig het gezag van de autoriteiten te ondermijnen, zoals sommigen denken, maar uit behulpzaamheid. „Een overheid is geen ‘partner’ maar potentieel steeds een tegenstander”, zegt jurist Kortmann. Zonder gerechtigheid een roversbende, zegt kerkvader Augustinus. Vandaar de noodzaak van het recht en van het ergerniswekkende, oeverloze gezeur van al die commentatoren, dat, als het goed is, alleen maar opbouwend werkt.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari