In Memphis hebben ze Martin Luther King nog steeds hard nodig

Martin Luther King 50 jaar dood De laatste mars van Martin Luther King was met de vuilnismannen van Memphis, die streden voor betere werkomstandigheden. Vijftig jaar na de dood van de Amerikaanse burgerrechtenactivist zijn die er nog altijd niet.

Martin Luther King Jr. loopt op 3 april 1968 bij het Lorraine Motel, in Memphis. AP

De werkdag van Gregory Patterson (53) zit er bijna op. Van vier uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags rijdt hij met vuilniswagen S3176 door de straten van Memphis. Hij heeft zijn laatste volle lading afval gedumpt op de vuilstort, weggestopt achter een dam en een industrieterrein. Nu moet hij met een hogedrukspuit zijn beige vuilniswagen schoonspuiten. „Deze wagen werd tot voor kort door een vrouw bestuurd”, zegt hij. „Ze was al dik in de zestig. Ze hunkerde naar de dag dat ze zeventig werd en met pensioen mocht. Maar voor die tijd stierf ze plotseling. Ze heeft haar leven lang niets anders gezien dan vuilnis.”

Patterson, een energieke Afro-Amerikaanse man met baseballpet en gele trui, mag de vuilniswagen nu besturen. Het is een relatief nieuwe wagen, en veel gaat automatisch: het tillen van de vuilnisbakken, het persen van het vuil. Maar hij weet hoe rauw en gevaarlijk het werk is. Twee jaar geleden ging het mis. Er moest een drugslab worden opgeruimd, en blikken met giftige vloeistof in de vuilniswagen gestopt. Een blik knapte, en de vloeistof spoot in zijn ogen. Patterson belandde in het ziekenhuis, en leek blind te worden. Na maanden kreeg hij zijn zicht terug, als door een wonder. Patterson: „Martin Luther King knokte voor ons. Hij offerde zelfs zijn leven. Maar als hij ons nu zou zien, zou hij denken: mijn strijd is maar half gewonnen.”

VuilnismanWalter Coleman aan het werk. Zijn voertuig markeert de herdenking van Martin Luther King Jr. Foto Jonathan Ernst/Reuters

Nieuwe segregatie

De zuidelijke stad Memphis, in de Amerikaanse staat Tennessee, is de plek waar de burgerrechtencampagne van dominee Martin Luther King jr. eindigde. Precies een halve eeuw geleden, op 4 april 1968, werd King doodgeschoten op het balkon van het Lorraine Motel. De moord, waarvoor de crimineel James Earl Ray later werd veroordeeld, traumatiseerde de Verenigde Staten diep. De burgerrechtenbeweging, die streefde naar verzoening tussen, en gelijke rechten voor witte en zwarte Amerikanen, verloor haar leider. In grote steden braken rellen uit. Een nieuwe segregatie versnelde zich: witte Amerikanen trokken weg uit de steden, naar ‘Suburbia’. Raciale scheidslijnen werden met dikke viltstiften op de kaart getrokken.

Desondanks werd Martin Luther King een nationaal symbool van hoop. Hij kreeg een jaarlijkse gedenkdag, een groot standbeeld in Washington, straatnamen. Iedere scholier kent zijn ‘I Have a Dream’-toespraak uit 1963, die de kern van Kings canon is geworden: geweldloos verzet tegen raciale ongelijkheid, verzoening, vergeving.

In het kader van Black History Month analyseerde YouTube-kanaal Nerdwriter vorig jaar de beroemde toespraak van Martin Luther King. Lees daarover: ‘I have a dream’-speech was bij vlagen pure poëzie

Maar dat is de gepolijste versie van Martin Luther King, zegt historicus en ex-activist Michael Honey. King is, zegt hij, een oer-Amerikaan geworden: optimistisch, vol gelijkheidsidealen, maar keurig binnen de lijntjes. „Martin Luther King is het symbool van vooruitgang geworden. Want bijna iedere Amerikaan is in theorie voor gelijkheid, en wil zich daar goed over voelen.”

Om de echte Martin Luther King te leren kennen, zegt Michael Honey, moet je hier zijn, in Memphis. „Scholieren leren nog wel dat King in Memphis is vermoord. Maar vrijwel niemand weet meer wat hij hier eigenlijk kwam dóén. En juist zijn boodschap in Memphis stond centraal in zijn denken.”

Het begon met twee vuilnismannen, Echol Cole en Robert Walker, die op 1 februari 1968 in het achterste deel van hun vuilniswagen schuilden voor de regen. Per ongeluk trad een mechanisme in werking, bedoeld om vuilnis te persen, waardoor de mannen in hun eigen wagen werden doodgedrukt. Hun dood leidde tot woede onder de medewerkers van de gemeentelijke afvalverwerking.

De mensen voor wie hij op de laatste dag van zijn leven opkwam, zijn niet geholpen.

Historicus en ex-activist Michael Honey

Zo’n 1.300 overwegend Afro-Amerikaanse werknemers legden het werk neer. Ze eisten een hoger salaris, veiligere werkomstandigheden, en een einde aan de raciale ongelijkheid. Zwarte werknemers konden geen leidinggevende functie krijgen. Ze mochten na het werk niet douchen. Ze moesten hun eigen kleren dragen, en ze mochten niet schuilen voor de regen. Witte werknemers mochten dit allemaal wel.

Martin Luther King voelde zich verbonden met de vuilnismannen van Memphis. Hij sloot zich aan bij een protestmars door de stad, in maart 1968. Die mars liep uit op rellen en geweld door de politie. De staking leek gebroken te worden, maar King beloofde terug te komen. Een week later was hij er weer.

De protestmars "I AM A MAN" die op 03-04-1968 werd gelopen. Bettmann

King had tactische redenen om solidair te zijn met de vuilnismannen van Memphis, zegt Michael Honey. „De eerste fase van zijn burgerrechtenbeweging was voorbij. Hij had gestreden voor een einde aan de segregatie en uitsluiting van Afro-Amerikanen. Hij had die slag gewonnen.” In 1964 tekende president Johnson de Civil Rights Act, die in ieder geval formeel een einde maakte aan discriminatie op basis van ras, sekse of religie.

De tweede fase was sociaal-economisch: King wilde armoede bestrijden. „Het is misdadig dat mensen in een rijk land voor een hongerloon moeten werken”, zei hij in Memphis. King begon een Poor People’s Campaign. Alleen als arme Amerikanen zich verenigen in vakbonden, vond hij, kunnen ze macht verwerven.

Memphis was lang zo ver nog niet, merkte Michael Honey, die als jonge activist uit Michigan naar Memphis was verhuisd om vakbonden te helpen stichten, in de voetsporen van King. In Michigan hadden werknemers in de auto-industrie machtige bonden. Memphis, in het conservatieve diepe zuiden, had niets. Honey: „King zag dat armoede de oude tegenstellingen in stand hield. Racisme, aangewakkerd door politieke leiders, verhinderde witte en zwarte Amerikanen samen te werken. Zo bleef de grote sociaal-economische ongelijkheid intact, tot Kings woede.”

Bekijk hier ook de fotoserie: Vijftig jaar Martin Luther King

De dag voor zijn dood hield Martin Luther King zijn I’ve Been to the Mountaintop-toespraak in een afgeladen Mason Temple, een grote Afro-Amerikaanse kerk in Memphis. „Alleen de vuilnismannen hebben pijn gevoeld. Nu moeten we die pijn herverdelen.” De strijd tegen ongelijkheid moest via de economie worden gevoerd, zei hij daar. Hij riep op bedrijven te boycotten die niet achter de staking stonden. „We hoeven niet te ruziën. We hoeven niet te vloeken en te tieren. We hebben geen bakstenen en flessen nodig, of molotovcocktails.”

Aan het einde speculeerde King op een vroegtijdig einde. „Ik heb het Beloofde Land gezien. Ik kom er misschien niet met jullie aan, maar u moet weten dat we er als volk komen. Ik ben daarom blij, ik maak me geen zorgen.” Een dag later werd King doodgeschoten.

Poetic Sun en Suavo Jones (L-R) lopen voorbij een muurschildering die is gebaseerd op de "I am a Man" protestmars in Memphis. De stad bereidt zich voor op de herdenking van Martin Luther King Jr. Foto Joe Raedle/Getty Images/AFP

'De oorlog is nooit gewonnen'

Op korte termijn kreeg King gelijk: de vuilnismannen van Memphis mochten zich organiseren in een vakbond, AFSCME. „Er kwamen zwarte managers, ook vrouwen belandden aan de top, en latino’s”, zegt Marcellus Stringer (47), vakbondsleider en vuilnisman. Stringer, een forse Afro-Amerikaanse man, was zo geraakt door Kings toespraak en dood, dat hij uit overtuiging vuilnisman werd. „We worden beter betaald, het werk werd veiliger. Het werk is er echt op vooruit gegaan, dat is Kings erfenis.”

Maar voormalig activist Michael Honey zegt: „De oorlog is nooit gewonnen. De werkomstandigheden zijn verbeterd, maar nog altijd niet goed. Het minimumloon [7,25 dollar per uur in Tennessee] is niet genoeg om van te leven.”

Erger nog, zegt hij, de macht van de vakbonden is de laatste jaren afgenomen. Dat geldt niet alleen voor vuilnismannen, maar ook voor leraren, postbodes of fabrieksarbeiders. Circa 15 procent van de Amerikanen leeft onder de armoedegrens. Onder Afro-Amerikanen is dat bijna 30 procent.

Honey: „De klasse van werkende armen heeft zich niet van de armoede kunnen verlossen.” Het grotendeels Afro-Amerikaanse Memphis is een van de armste steden van de VS: bijna de helft van de kinderen leeft onder de armoedegrens. De afvalindustrie is er de laatste jaren grotendeels geprivatiseerd, en medewerkers van die private afvalbedrijven mogen zich niet organiseren. „De economie groeit, maar de lonen zijn nooit meegegroeid. King zou ervan gegruwd hebben. De mensen voor wie hij op de laatste dag van zijn leven opkwam, zijn niet geholpen.”

Vuilnisman Gregory Patterson heeft, net als Martin Luther King destijds, een droom, zegt hij. Die van hem gaat over zijn werk. Hij zit vast tot hij zeventig is, en weet niet of hij het zware werk tot die tijd volhoudt. „Ik droom weleens dat deze vuilniswagen van mij is. Dan zou ik instappen en in mijn eentje wegrijden. Het maakt me niet uit waarheen. Ik droom van vrij zijn.”

Lees ook over de 9-jarige kleindochter van Martin Luther King: ‘Mijn droom is dat de wereld wapenvrij wordt’