Hoe wapens ons op slot zetten

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over een stadje in ‘lockdown’ en een demonstratie tegen het wapenbeleid.

Stoelriemen vast, we gaan over een half uur landen. Het geroezemoes in de cabine begint. Tafeltjes worden dichtgeklapt, stoelen rechtgezet. New York doemt onder ons op. De vrouw naast me wijst opgewonden uit het raam. Kijk, Central Park. Mijn gedachten dwalen af naar de klok voor de ingang van de kleine dierentuin. Onze kinderen konden geen genoeg krijgen van de dieren die elk halfuur ronddraaien op een muziekje.

Met een plof landt de Boeing op Newark Airport. Ik haal mijn mobiel van de vliegtuigmodus. Mijn provider heet me welkom in the USA. Onmiddellijk stromen de tekstberichten binnen van de afgelopen acht uur.

Onze zoon: „Mama, er is iets engs met een schieter in Princeton. Wij zijn veilig. Ik ben thuis. Charlottes school is in lockdown.”

Onze dochter: „Mama, we zitten al uren in lockdown. Een meisje viel flauw in de klas. Ik ben mijn lunch vergeten. Ms. Gonzalez heeft me haar appel gegeven.”

Mijn vriendin: „Ik zit al uren vast met de kleine in de bibliotheek. Alle kinderen huilen. De koffie en de broodjes zijn op.”

Paniekerig struin ik het nieuws af. In een broodjeszaak in het centrum wordt een man met een geweer door de politie onder schot gehouden. De hele buurt, alle scholen, Princeton University die ernaast ligt, zijn in lockdown. Dat betekent dat je geen kant meer op kunt. Deuren op slot. Niemand naar buiten en niemand naar binnen. En waar je ook kijkt, politie.

Ik mail onze dochter. „Ben je bang?”

„Ja”, schrijft ze terug. Ik zie haar lieve gezicht voor me. Sinds de schietpartij op een school in Florida denkt ze niet meer dat dit soort situaties wel los zullen lopen.

„Ik word gek hier van het gehuil”, schrijft mijn vriendin. „Ik heb geen schone luier bij me. Gelukkig geef ik de borst.”

Eenmaal thuis volg ik met onze zoon het nieuws. De schutter in de broodjeszaak weigert zijn geweer neer te leggen. Politie praat tevergeefs op hem in. Om drie uur wordt hij doodgeschoten. Zomaar. Geen uitleg.

„We mogen naar huis”, schrijft onze dochter. Eronder haar favoriete emoji. Een inktvisje.

„Eindelijk bevrijd”, mailt mijn vriendin. „Op naar een schone luier.”

Zaterdag ben ik in New York, samen met een paar honderdduizend mensen die in het hele land demonstreren tegen het wapenbeleid. Het is waterkoud. Tussen de straat en de gebouwen staan rijen vrachtwagens gevuld met zand. Zodat niemand bij een aanslag op de mensen in kan rijden, vertelt de man naast me.

De March for our Lives is grimmig. Mensen dragen spandoeken met foto’s van de overleden kinderen van de Parkland-school uit Florida. Het maakt me intens verdrietig.

Ik loop weg van de menigte, Central Park in, naar de dierentuin. Voor de klok staat een meisje te wachten tot het hele uur slaat. Dat duurt nog zeven minuten. Ze straalt en klapt in haar verkleumde handen als de olifant met de tamboerijn voorbij komt. Als het afgelopen is, blijft ze nog wat dralen. Dan pas zie ik het spandoek voor haar op de grond. Ze pakt het op. Arms are made for hugging, lees ik. Ik bedwing me haar stevig tegen me aan te drukken.

Reacties naar pdejong@ias.edu.