We zijn nog niet toe aan ontspullen

Terwijl we omkomen in de spullen willen we steeds weer wat anders. „Je aan een ding hechten, er een band mee opbouwen, het is zonde van de tijd.”

Illustratie Veronique de Jong

Je hebt mensen, dieren, dingen en de natuur. Ze hebben veel met elkaar te maken, maar erg hartelijk zijn de onderlinge verhoudingen niet. Het treffendste voorbeeld daarvan is de plastic soep die in de Stille Oceaan drijft. De soep is groter dan de oppervlakte van de staat Texas en sommige stukjes plastic zijn zo klein dat vissen ze voor voedsel aanzien. Die stukjes begonnen hun leven als tuinstoelen, tandpastadopjes, handschoenen, kussens, flessen, zakken, netten, touwtjes en strips. Als dingen.

Zo langzamerhand zijn er daar te veel van. Dat zie je in de Stille Oceaan, je ziet het ook bij de mensen thuis. Ze komen om in hun spullen, en toch bezwijken ze vaak weer voor de verleiding een nieuwe bank, een nieuwe keuken of een paar nieuwe stoelen te kopen. Omdat de oude blijkbaar niet voldeden. En omdat er altijd nieuwe dingen komen – dé meubelbeurs in Milaan, Salone del Mobile, die volgende week wordt geopend zal dat duidelijk laten zien.

Wie dezer dagen niet naar Milaan, maar naar München afreist, krijgt iets heel anders voorgeschoteld. In Die Neue Sammlung is een expositie ingericht die de rusteloze jacht op het nieuwe ter discussie stelt. Op uitnodiging van dit designmuseum deden vormgever Hella Jongerius en designonderzoeker Louise Schouwenberg een greep in de museumcollectie en ze maakten een tentoonstelling die tot september van dit jaar te zien is. Beyond the New heet de expositie, het is een oproep nu eens op te houden met het maken van producten waarvan de voornaamste kwaliteit is dat ze nieuw zijn.

De kortst mogelijke samenvatting van hun ideeën is een kleine installatie die Jongerius ook al een keer op de meubelbeurs in Milaan toonde. Op rechtopstaande ijzerdraadjes draaien 13 poppenhuismeubeltjes in het rond. Het zijn beroemde meubels. Een ervan is de zigzagstoel van Rietveld, een andere die opengewerkte aluminium stoel van Konstantin Grcic. Een felle schijnwerper beschijnt de draaiende meubeltjes, en op een doek achter de opstelling wriemelen grillige schaduwen heen en weer. Dan staat alles stil. En op het doek is in de schaduwen opeens een woord te lezen: possibilities. Nieuw hoeft niet altijd heel anders te zijn. Mogelijkheden genoeg als je je in de vormgevingsklassieken verdiept.

‘Het gaat niet goed met design’

Hun expositie is een boodschap aan de designwereld. Over een week gaat het op ‘de Salone’ om omzet, en omdat de meeste mensen al een tafel en een kast hebben, gaat het om nieuwe tafels en kasten. Van de honderden nieuwe stoelen die elk jaar in Milaan worden gepresenteerd zijn er maar een paar onderscheidend, zegt de vooraanstaande designcriticus Alice Rawsthorn in haar boek Hello World (2016). „De meeste andere zoeken hun toevlucht bij stilistische excessen in wanhopige pogingen de aandacht te trekken.”

Jongerius en Schouwenberg keerden zich twee jaar geleden in Milaan ook al tegen die trend. Ze publiceerden een manifest, ook onder de titel Beyond the New. Korte inhoud: het gaat niet goed met het design. Er is een rusteloze jacht op het nieuwste van het nieuwste. Het resultaat is een „deprimerende overvloed van zinloze producten”. Fabrikanten varen er wel bij, maar vormgevers zouden het heft in handen moeten nemen, zeggen Jongerius en Schouwenberg. Ze zouden hun idealen moeten koesteren, zoals in de tijd van het Bauhaus – dat Duitse instituut dat in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw liet zien dat hoge kwaliteit en industriële productie heel goed samen kunnen gaan.

Wat gebeurt er als je meerdere illustratoren vraagt om hetzelfde, alledaagse voorwerp te tekenen? We vroegen zeven illustratoren om een theepot te maken en kregen totaal verschillende beelden – ieder heeft zo zijn eigen visie op een simpel gebruiksvoorwerp.
Illustraties van Astrid van Rooij, Anne van Wieren en Aron Vellekoop León

In München haalden Jongerius en Schouwenberg kasten en opbergmeubels uit het musemdepot. Zoals de Carltonkast van Ettore Sottsass, een industrieel aandoend opbergsysteem van Charles en Ray Eames, de Billy-boekenkast van Ikea. Het ongewone is dat al die kasten op hun rug op de grond liggen. Dat kan ook best, zeggen Jongerius en Schouwenberg in de begeleidende teksten. Want in een museum gaat het niet om de gebruikswaarde, maar om hun vorm. Zo zie je ze als verschijnselen die er erom vragen geïnspecteerd en bestudeerd te worden.

Intussen rijzen en dalen in de hoge zaal een aantal plateaus, als in een paternosterlift. Daarop is een greep te zien uit de 80.000 objecten die zich in het depot van het museum bevinden. Koffiekannen, radio’s, thermosflessen, telefoons, plastic wasmanden, theepotten, wekkers, bossen touw, weegschalen, gieters, lampen, verrekijkers. Er is al heel wat ontworpen, zeggen ze, vaak van hoge kwaliteit. Je moet sterk in je schoenen staan als je er nog iets nieuws aan wilt toevoegen.

Maar als de gebruikers er nou om vragen? In het boek dat de tentoonstelling begeleidt (Beyond the New. On the agency of Things) erkennen Schouwenberg en Jongerius dat je in een museum moeilijk toegang krijgt tot de dagelijkse werkelijkheid van een object. Een kast die op een veiling is gekocht, wordt in het museum voortaan met witte handschoenen aangepakt, het gebruik wordt stilgezet. Daar is het een museum voor. Maar wie de „deprimerende overvloed van zinloze producten” wil verklaren, ontkomt er niet aan ook de gebruikers in de beschouwing te betrekken.

Daar deinzen Jongerius en Schouwenberg voor terug. Schouwenberg roept in het boek filosofen als Bruno Latour, Martin Heidegger en Peter-Paul Verbeek te hulp om te achterhalen wat dingen ‘doen’ in het dagelijks leven, maar die verklaren de jacht op het nieuwe niet.

Minimalisme

Als je de aandacht naar die gebruikers verlegt, moet je meteen constateren dat niet iedereen op jacht is. Sommige mensen doen wél 25 jaar met een mooie bank, laten hem weer bekleden als het nodig is en koesteren hun meubilair alsof het om gezinsleden gaat. En verder heb je ook minimalisten, zoals ze zich noemen. Mensen als Joshua Fields Millburn en Ryan Nicodemus. Een jaar of acht geleden deden deze twee Amerikanen 90 procent van hun bezittingen weg. Ze houden overal ter wereld lezingen over hun post-materialistische bestaan, dat ze veel hoger aanslaan dan hun vorige leven, toen ze nog gehinderd werden door al die boeken, meubels en kleren. Stuffocation, een succesvol boek van de Britse trendwatcher James Wallman, legt uit dat spullen je verstikken en je van werkelijk leven afhouden. Het boek Opgeruimd! van de Japanse opruimcoach Marie Kondo is in miljoenen exemplaren over de toonbank gegaan. En sinds een paar maanden liggen in de boekwinkels stapels van het boek Vaarwel spullen van de Japanner Fumio Sasaki. Hij was ongelukkig, maar hij deed bijna alles weg en zijn leven heeft weer zin gekregen.

De trailer van de documentaire van Joshua Fields Millburn en Ryan Nicodemus (te zien op Netflix).

Getuige de populariteit van die boeken raakt dat minimalisme een gevoelige snaar. Verspulling is een probleem aan het worden, ontspulling misschien de oplossing. Maar de meeste mensen zijn nog niet zo ver. Niet dat ze veel om spullen geven. Ze doen hun bank, telefoon of keukeninrichting zonder veel spijt de deur uit. Maar er komt altijd een nieuwe bank, telefoon of keuken voor in de plaats. Hun post-materialisme bestaat uit inruilen. Waarom doen ze dat? Waarom hechten ze zich niet wat meer aan hun spullen?

Op die vraag zijn allerlei antwoorden mogelijk. Omdat software-updates na twee jaar stoppen, of omdat er iets kapotgaat en reparatie te duur is. Maar misschien is de dieper liggende oorzaak wel deze: we hechten ons niet meer aan de dingen omdat we nog maar een beperkt zicht hebben op hun levensloop.

We zien niet hoe dingen gemaakt worden

Hoe dingen gemaakt worden is iets wat zich steeds verder uit ons gezichtsveld heeft verwijderd. De industriële revolutie bracht het massaproduct en maakte een eind aan de overal zichtbare ambachtslieden. Maar aan de rokende schoorstenen en stampende machines kon je in ieder geval zien waar vanaf dat moment de stoelen, naaimachines en fietsen gemaakt werden. Een groeiend legioen van arbeiders kende de fabricageprocessen bovendien uit de eerste hand. Nu worden de laatste fabrieksschoorstenen opgeblazen, de fabrieken zijn verplaatst naar verre oorden en in opgeruimde hallen zijn robots vrijwel de enige getuigen van het maakproces. Het lijkt wel, zegt de Oostenrijkse filosoof Konrad Paul Liessmann in zijn boek Das Universum der Dinge (2010), „alsof de dingen vanzelf ontstaan, zonder mensen”. En ook van het leven ná het gebruik zijn we nauwelijks nog op de hoogte. De vuilnisbelt is uit de beschaafde wereld verdwenen. We leveren de doorgezakte bank af bij het milieudepot, en wat ze er daar verder mee doen, onttrekt zich aan onze waarneming. De dingen verdwijnen zoals ze verschijnen: schijnbaar moeiteloos, vanzelf.

Geen wonder dat we achtelozer met de dingen zijn gaan omspringen. We kennen ze eigenlijk niet. We weten wel dat we ze zonder moeite kunnen inruilen voor een identiek, of beter exemplaar. Je aan een ding hechten, er een band mee opbouwen, het is zonde van de tijd.

Illustraties Gijs Kast, Cyprian Koscielniak en XF&M

Het interessante is dat precies die kwestie in het werk van Jongerius een rol van betekenis speelt. In het prachtige, door Irma Boom vormgegeven boek Misfit (2010) komt ze in een gesprek met Schouwenberg op „de nooit eindigende jacht op meer en meer dingen”. Die is, zegt ze, misschien wel het gevolg van de de massa inferieure producten waarmee de markt wordt overstroomd.

De Nederlandse ontwerper Joris Laarman is wereldberoemd en was volgens The Wall Street Journal zelfs ‘Innovator of the Year’. Lees ook het interview met hem: ‘We zouden een ministerie van Toekomst moeten hebben’

Dat is niet veel meer dan een vermoeden, maar in haar werk laat ze haar bijzondere oplossing zien: imperfecties. Gietnaden die ze niet wegpoetst, maar intact laat. Of de afwijkingen in het porselein dat ze voor aardewerkfabriek Tichelaar in Makkum ontwierp, de befaamde „B-set”. Door de ovens op iets te hoge temperatuur te stoken, werd elk bord iets anders, en ook de kopjes laten zich niet zo gemakkelijk stapelen. De resultaten zijn producten die weliswaar industrieel zijn vervaardigd, maar toch een zekere individualiteit hebben.

Wat je ervan opsteekt is misschien dit: dingen komen er niet vanzelf. Ze hebben al een geschiedenis als ze in ons leven opdoemen. De sporen van het maakproces getuigen daarvan. Deze dingen zijn met zorg gemaakt. Ze hopen op wat eerbied, en een lang verblijf in onze huizen.