Column

Te veel grote bekken, te weinig grootsheid

We leven in tijden van de overtreffende trap: kleine kwesties worden voortdurend uitvergroot, schrijft Tom-Jan Meeus.

We leven in tijden van de overtreffende trap: kleine kwesties worden voortdurend uitvergroot. Begin 2017 had je warhoofden die wisten dat Nederlanders zo kwaad waren dat een volksopstand nabij was. Vorige week liet het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zien dat Nederlanders in geen tien jaar zo optimistisch waren. Tijdens de vluchtelingencrisis van 2015-’16 voorzagen zwartkijkers dat Zweden onder zijn goedheid zou bezwijken. Vorige week liet het SCP zien welk Europees land het meeste vertrouwen in politiek en rechtspraak heeft: Zweden (Nederland stond op twee). Vorig voorjaar presenteerde Forum voor Democratie een peiling die claimde dat de meeste Nederlanders een Nexit willen. Vorige week publiceerde het SCP hoeveel Nederlanders het EU-lidmaatschap nu ‘geen goede zaak’ vinden: 18 procent.

Iets vergelijkbaars heb je met individueel gedrag: kleine dingen worden verkocht als grootse prestaties. Een aangenomen motie is een nieuwe richting voor het land. Een half jaartje leuke opiniepeilingen en je bent politicus van het jaar.

Het gevolg is dat we voortdurend discussiëren over grootspraak en kletskoek, en ik begrijp wel waarom. De geschiedenis kent weinig emancipatiebewegingen die zich niet schuldig maakten aan problemen opkloppen: activisten moeten nu eenmaal aanhang opbouwen.

De verandering is dat niet alleen vertegenwoordigers van de contracultuur de overtreffende trap hanteren. Iedereen doet het nu. Regeringspartijen, belangenclubs, volleerde lobbyisten: misantropie en zelffelicitatie zijn de norm – de grote bek de vorm.

In het paasweekeinde las ik een prachtige necrologie van Johan van Hulst, de oud-CHU-politicus, in The New York Times. Je ziet niet vaak Nederlanders in necrologieën van ’s werelds invloedrijkste krant. De auteur stond uiteraard stil bij zijn rol bij de redding van Joodse kinderen vanuit de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam tijdens de oorlog, alsmede de wijze waarop hij zijn grootse gedrag klein hield: „It’s not about me.” Partijchroniqueur P.G. Kroeger haalde op de website van het CDA Prediker aan als motivatie voor hem en zijn partij: „U doet wat uw hand vindt te doen.” Slechts het toeval van de omstandigheden had hem tot deze heldhaftigheid gebracht: niets om uit te venten als grootsheid.

Je zou het ons, als maatschappij, gunnen dat meer mensen die houding konden aannemen. Zodat we niet langer voortdurend in gesprek zouden zijn over wilde voorspellingen of beschuldigingen waarvan we een jaartje later zeggen: wat een flauwekul was dat eigenlijk.

En zodat we onze bewondering niet meer bewaren voor de degenen met de grootste mond, maar voor ware grootsheid: voor degenen die hun grootsheid klein weten te houden.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Jutta Chorus