Meer respect voor Slowaakse media na moord op jonge onderzoeksjournalist

Slowakije Het onderzoek van de Slowaakse journalist Jan Kuciak kostte hem zijn leven. Zijn collega’s blijven spitten naar corruptie bij de Slowaakse elite. „We krijgen nu meer respect voor ons werk.”

Slowaakse demonstranten in Bratislava eisen nieuwe verkiezingen, na de moord op Kuciak en Kusnirova. Foto AFP/Joe Klamar

Op een drukke invalsweg aan de rand van Bratislava, naast de blauwe blokkendoos waar de redactie van een van de populairste nieuwssites van Slowakije huist, trekt een enorm billboard de aandacht van voorbij rijdende chauffeurs. „Jullie kunnen de waarheid niet doden. Wij zetten door. #ALLFORJAN.” Met die boodschap eren de journalisten van Aktuality.sk hun collega Jan Kuciak.

De 27-jarige journalist Kuciak en zijn even oude verloofde Martina Kusnirova werden eind februari neergeschoten in hun huis ten oosten van de Slowaakse hoofdstad. Kuciak deed onderzoek naar frauderende zakenlui en maffiosi in Oost-Slowakije. Die onderhielden banden met mensen uit de entourage van de toenmalige premier Robert Fico.

Door de dubbele moord kelderde het vertrouwen in de sociaal-democratische regering en belandde het EU-land van 5,5 miljoen inwoners in de grootste politieke crisis van het afgelopen decennium. Massademonstraties leidden tot het ontslag van Fico en tot aanhoudende druk op zijn opvolger en partijgenoot Peter Pellegrini om nieuwe verkiezingen uit te schrijven.

Naast de ingang van het redactiegebouw staan zwart-witfoto’s van Kuciak en Kusnirova tegen de muur, omgeven door tientallen rouwkaarsen. In de lobby houden politieagenten in zware uitrusting de wacht, bij de gesloten deuren van de redactievertrekken zitten privébewakers.

„We hebben nog andere veiligheidsmaatregelen genomen waarover we niet kunnen praten”, zegt redactie-woordvoerder Peter Porubsky met een bleek gezicht dat slaaptekort verraadt. „De eerste twee weken keken mensen over hun schouder bij het naar huis gaan. Maar we moeten vooruit, je kan je leven niet laten vergallen door angst.”

Aktuality.sk is met 30 miljoen maandelijkse bezoekers de negende drukst bezochte website van Slowakije. In de traditionele, witte redactieruimte stralen geruisloze televisietoestellen nieuwsbeelden in de richting van reporters die bellen en tikken aan lange werktafels.

Eén bureau is al een maand niet meer gebruikt: hier zat Jan Kuciak. Rechts van het beeldscherm staat een rode rouwkaars. Zijn spullen liggen erbij zoals hij ze achterliet: een pot oploskoffie, twee lege mokken met een lepeltje, een stapeltje documenten en een boek over de ’ndrangheta, de Italiaanse maffiaorganisatie waarvan hij de Slowaakse connecties onderzocht.

„Zelden zo’n vriendelijke vent als Jan ontmoet”, zegt politiek verslaggever Jan Petrovic, een van de 26 collega’s van Kuciak. „Sommige andere redacteuren lopen geregeld over van de stress, maar hij lachte altijd. Hij zei ook nooit zomaar ‘nee’ als je hem om hulp vroeg, ook al had hij meer werk dan veel anderen.”

Witteboordencriminelen

Kuciak was niet het soort onderzoeksjournalist dat zijn schoenzolen versleet tijdens het werk. Hij lichtte tegels achter het scherm, door handelsregisters en databanken te doorzoeken, op zoek naar witteboordencriminelen. „Er zijn niet veel mensen in Slowakije die zoals hij schreven over de connecties tussen politiek en misdaad”, zegt Petrovic. „Toen hij nog leefde namen veel mensen zijn werk niet ernstig.”

Nu behandelen zijn collega’s de bestanden op zijn computer als een schatkamer van potentieel explosieve informatie over figuren uit de Slowaakse politieke elite, maffiosi en, zo hopen ze, zijn moordenaars. „Meteen na zijn dood hebben we besloten om de verhalen die op zijn laptop stonden te publiceren”, zegt Porubsky. Daar waren IT-specialisten voor nodig: Kuciak was voorzichtig en maakte gebruik van encryptie.

Twee collega’s bij Aktuality.sk, onderdeel van de in Zwitserland gevestigde mediagroep Ringier Axel Springer, bouwen verder op zijn werk met de hulp van enkele tientallen binnenlandse en buitenlandse collega’s. Porubsky toont een kamer in de hoek van het gebouw. „Elke week komen hier zo’n vijf à zes verslaggevers uit Duitsland, Zwitserland, Tsjechië en andere landen, om te brainstormen met onze verslaggevers.”

Een muur van de werkkamer is bekleed met een wandvullende #ALLFORJAN-poster, een andere door een spinnenwebschema waarin blauwe lijnen heen en weer lopen tussen foto’s van alle figuren die tot nu toe opdoken in het onderzoek. De man in het midden van het spinnenweb is de inmiddels afgetreden Fico, die als partijleider nog steeds invloed uitoefent over zijn opvolger Pellegrini. Rond Fico: een kluwen van Slowaakse politici, zakenlui en Italianen die ervan verdacht worden een Slowaakse dependance van de ’ndrangheta-maffiaorganisatie te runnen.

Zo goed als de samenwerking met andere media verloopt, zo stroef is de verhouding met de autoriteiten. Voor zijn dood diende Kuciak een klacht in tegen een van fraude verdachte projectontwikkelaar. De man had Kuciak bedreigd, maar de politie bleef passief.

Slangen en hyena’s

Na zijn dood bleek de Slowaakse recherche ook al niets gedaan te hebben met informatie die Italiaanse collega’s hen hadden toegespeeld over de Italianen die Kuciak onderzocht. Porubsky: „De verhouding tussen media en politie moet nog hersteld worden. Als de politie er niet formeel om vraagt, leveren wij hen ook geen informatie.”

Ook het vertrouwen tussen journalisten en de politieke elite is broos. Regeringsleden gedroegen zich lange tijd respectloos tegenover de media. Fico noemde journalisten onder meer „anti-Slowaakse prostituees”, „slangen” en „hyena’s”. Bij een persconferentie in de nasleep van de moord op Kuciak ontnam Fico een journalist van Aktuality.sk het woord met de uitspraak: „U bent de laatste met wie ik wil praten”. Een journalist van het weekblad Plus 7 dni kreeg deze maand een voorwaardelijke celstraf van drie jaar wegens laster, nadat hij weigerde zijn bron te onthullen voor een stuk over vermeende omkoping door een hooggeplaatste politicus van Fico’s partij Smer.

De regelgeving die het werk van journalisten controleert, moet op de schop, zegt Petrovic. „Het moet mogelijk worden voor alle journalisten die een informatieverzoek indienen bij de overheid om het adres van hun redactie op te geven in plaats van hun thuisadres.” De collega’s van Kuciak speculeren dat zijn moordenaars zijn woonplaats konden achterhalen doordat hij zijn thuisadres op zijn informatieverzoeken zette. Een andere praktijk waardoor journalisten zich onveilig voelen, is volgens Petrovic „dat het personeel bij sommige overheidsdiensten journalistieke informatieverzoeken doodleuk doorgeeft aan de personen die het onderwerp zijn van dat verzoek.”

Bij veel burgers lijkt de mentale omslag wel al gemaakt. Sinds de moord lijkt het vertrouwen in de media gestegen. Dat betaalt zich uit in journalistieke scoops, zegt Petrovic. „We krijgen nu meer verhalen aangeleverd omdat meer mensen zich spontaan aanmelden met interessante informatie. Je voelt gewoon dat we meer respect krijgen voor ons werk als journalist.”