In je eentje de bochtige Amstel te lijf

Roeien De 68ste editie van de Skiffhead was zondag op de Amstel. Eenmansroeien voor jong en oud, en wel degelijk prestigieus.

De jaarlijkse Skiffhead: stroomafwaarts van Ouderkerk aan de Amstel naar Amsterdam. Foto Joris van Gennip

Geen moment ligt het water van de Amstel stil op deze koude Paaszondag. Normaal gesproken op een weekenddag – zeker wanneer de temperatuur niet boven de zeven graden komt – beheert een gezelschap eenden, of hier en daar een toeristenboot, de rivier. Maar deze middag is het water het terrein van de skiffs, de eenmansroeiboten. Rond de zevenhonderd junioren, profs en veteranen, ze komen stuk voor stuk in actie op het Amsterdamse water, tijdens de 68ste editie van de jaarlijkse roeiwedstrijd Skiffhead.

Een lint van skiffs – gele, witte of houten, voorzien van namen als ‘Barracuda’, ‘Vespoli’ of ‘Nymph’ – wacht op het startsein van de wedstrijdleiding. De deelnemers staat 7.500 meter roeien te wachten. Te beginnen in Ouderkerk aan de Amstel, met een ‘vliegende start’. Dat klinkt explosiever dan het in werkelijkheid is; de skiffeurs en skiffeuses vertrekken niet vanuit stilstand, maar vanuit de beweging. „Je ligt al op snelheid als je de startlijn voorbijgaat”, vertelt Ronald Florijn, tweevoudig winnaar van olympisch goud (in 1988 in Seoul in de dubbeltwee, en in 1996 in Atlanta in de Holland Acht) en winnaar van de Skiffhead in 1982.

Head of the River

De Skiffhead werd in 1951 voor het eerst gehouden, met Dop Logger van de Amsterdamse roeivereniging Poseidon als winnaar. De race is een afgeleide van de Head of the River, een roeiwedstrijd die sinds 1933 op de Amstel wordt georganiseerd. Het verschil tussen beide races is dat de Head of the River van Amsterdam naar Ouderkerk aan de Amstel wordt gevaren, dus stroomopwaarts, en de Skiffhead in tegengestelde richting, stroomafwaarts dus. Dit jaar stond de Head of the River gepland voor het weekend van 17 en 18 maart, maar door de zeer slechte weersvoorspellingen – ‘Code Oranje’ – werd de race afgeblazen.

„Dat betekent niet dat er nu veel meer roeiers dan normaal meedoen aan de Skiffhead”, zegt Annemarie de Graaf. Zij is voorzitter van de wedstrijdcommissie binnen de Amsterdamse roeivereniging De Hoop, die de Skiffhead traditiegetrouw organiseert. Volgens De Graaff doen veel roeiers aan beide races mee. Wel groeit het aantal deelnemers bij de Skiffhead nog ieder jaar. „Al zijn we dit jaar iets minder hard gegroeid dan verwacht, maar dat komt door Paaszondag. Met name het aantal veteranen wordt ieder jaar groter.”

Keizer van de Amstel

De naam van roeier die zeker niet mag ontbreken als het over de Skiffhead gaat, is die van Frans Göbel. Beter bekend als ‘De Keizer van de Amstel’. Sinds jaar en dag huisarts in Ouderkerk, maar in zijn sportieve leven twee keer wereldkampioen in de lichte skiff (1989 en 1990). Maar vooral: twaalfvoudig winnaar van de Skiffhead, vandaar zijn keizerlijke bijnaam. Ook deze zondag doet Göbel weer mee, met startnummer 476 bij de veteranen. In 1993 won hij voor het laatst de Telegraaf-bokaal, de hoofdprijs bij de elite-heren, de snelste klasse tijdens de Skiffhead. „Iedereen wil van mij winnen”, zegt de 58-jarige Göbel lachend. „Dus ik kan alleen maar verliezen.”

Dat doet hij ook, Göbel wordt dertiende in zijn veteranenklasse, op meer dan anderhalve minuut van de winnaar.

Status is veranderd

De Skiffhead is en blijft voor Göbel een speciale dag in het roeiseizoen. „Als je in mijn tijd de Skiffhead won, dan was je seizoen eigenlijk al goed”, zegt Göbel. „Alle toproeiers deden mee. Je wilde deze race een keer in je roeileven gewonnen hebben.”

Florijn beaamt de woorden van Göbel, maar weet ook dat voor de Nederlandse toproeiers de status van de Skiffhead in de loop van de jaren is veranderd. Hij heeft ook een goede verklaring voor die ontwikkeling. „De Skiffhead valt nu, wat ongelukkig, midden in het trainingsseizoen voor de wedstrijden over 2.000 meter. Een race over 7,5 kilometer past dan gewoon niet in de voorbereiding.”

De route van de Skiffhead wijkt niet alleen qua lengte af van wat de toproeiers gewend zijn. De honderden deelnemers moeten op de waterweg van Ouderkerk naar Amsterdam een aantal bochten door. „Je kunt vrij snel zien of iemand gewend is om een bocht te roeien”, zegt Florijn.

Dat dit niet voor iedereen is weggelegd, is vanaf de kant duidelijk waarneembaar. Meer dan eens moeten roeiers – sommigen uitgedost met een pet met daaraan geplakt een achteruitkijkspiegeltje – vanaf de kant worden gewezen op datgene wat achter hen gebeurt. En zo worden oevers, woonboten, boeien of tegenstanders steeds weer net op tijd gered. „Dat bochtenwerk hoort bij deze wedstrijd, dat maakt het zo mooi”, zegt wedstrijdleider De Graaff.

Eenmaal de bochten door, wacht in Amsterdam het rechte stuk naar de finish. Die hoef je niet uitgeput te bereiken, zegt Göbel. „Ook niet na 7.500 meter. De kunst is de skiff in beweging te brengen, en tijdens de race de boot niet af te remmen. Je moet niet met iedere haal weer snelheid in de boot willen brengen. Dat kost te veel kracht.”

Zoals een blik op een aantal van de roeiers die de finish halen, laat zien. Het laatste stuk, de laatste halen, aangemoedigd door tientallen supporters op weg naar de streep die al jaren voor het clubgebouw van De Hoop ligt. Puffend, bezweet, het hoofd voorover, de kin bereikt de borst; de eenzame lijdensweg stroomafwaarts is gelukkig weer achter de rug.

    • Jelmer Kos