Opinie

Nu een transparant vervolg op het gasbesluit van Rutte III

Of het besluit van het kabinet-Rutte III, op donderdag 29 maart 2018, om een eind te maken aan de Groningse gaswinning historisch was? Dat is voor tijdgenoten moeilijk te beoordelen. Wie weet er nog welke minister uit welk kabinet begin jaren zestig besloot over te gaan tot die gaswinning? Dat besluit werd genomen door het kabinet-De Quay (1959-1963), maar de verantwoordelijke minister van Economische Zaken Jan de Pous (CHU) staat vooral bekend om zijn rol bij de invoering van de zogeheten vrije loonpolitiek.

Opmerkelijk was het besluit van minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) om de gaskraan dicht te draaien in elk geval wel. Al was het maar omdat het gaat om een paradoxale bestuursdaad. Immers, de consequenties zijn vermoedelijk even groot als moeilijk in te schatten.

Het is bovendien een besluit dat na vijf maanden regeren tamelijk plotseling is genomen. In het regeerakkoord, dat nog naar verse inkt ruikt, is er van stoppen met gaswinning geen sprake. Maatregelen om de „behoefte aan Groningengas te verminderen” en „stapsgewijze verlaging”, dat was het plan waarmee de vier regeringspartijen akkoord gingen. Dat was geheel in de trant van Wiebes’ voorganger, Henk Kamp (VVD), die altijd keek of hij het dichtdraaien van de gaskraan in zijn eigen portemonnee voelde. Maar nu ineens zou geld geen rol spelen. Financiën zijn „geen factor” zei de doorgaans zuinige premier Mark Rutte (VVD).

Het Nederlandse gasbesluit vertoont interessante overeenkomsten met het besluit van de Duitse bondskanselier Angela Merkel in 2011 om voor 2022 te stoppen met kernenergie. Ook dat besluit kwam als een trendbreuk, waarbij pas later de (gigantische) financiële gevolgen duidelijk werden. Het belangrijkste motief van Merkel was, net als voor Rutte, de veiligheid van de burgers.

Aanleiding in Duitsland was de tsunami met de daaropvolgende atoomramp in het Japanse Fukushima. Het Nederlandse Fukushima heet Zeerijp. In dat Groningse dorpje schudde de aarde op 8 januari geheel tegen de verwachtingen kennelijk zo fors dat de politieke naschokken in Den Haag werden gevoeld.

Merkel wisselde na haar atoombesluit snel van motivering: veiligheid werd duurzaamheid. En het codewoord werd Energiewende: dat is de totale ombouw van de Duitse economie naar duurzame energie. Een operatie die nog steeds in volle gang is.

Ofschoon die niet altijd vlekkeloos verloopt, bleef Nederland de afgelopen jaren bijvoorbeeld bij het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen achter bij Duitsland. Nederland ondertekende in 2016 het klimaatakkoord van Parijs. Wiebes gaf in februari een ‘startschot’ om tot een ‘klimaatakkoord’ te komen met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. Installatiebureaus drongen er vorige week nog op aan om voor 2021 alle gasinstallaties uit Nederlandse huishoudens te vervangen door duurzame alternatieven. Allemaal heel keurig, maar het ontbrak aan urgentie.

En dat is wellicht wat het kabinet, met minister Wiebes voorop, met zijn gasbesluit wil bewerkstelligen: een kantelpunt forceren naar een Nederlandse ‘energiewending’. Dat valt op zich te billijken. Tegelijkertijd dient het kabinet zich rekenschap te geven van het feit dat grilligheid geen karaktertrek is van goed bestuur. Bovendien moet vanaf het begin glashelder zijn welke consequenties het gasbesluit heeft: wie bijvoorbeeld uiteindelijk de rekening betaalt. Want natuurlijk zijn de financiën wél een factor.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.