Recensie

Dancefestival DGTL doet groots simpelweg heel goed

Recensie

Afgelopen weekend was DGTL de traditionele opener van het festivalseizoen voor dance. Met een sterke productie, bewust eten en grote namen die groots draaiden was deze editie de beste tot nu toe.

Laurent Garnier, grootmeester van de epische melodieuze techno, smeerde laag na laag over elkaar. Foto Tom Doms

Zodra je als DGTL-bezoeker de hoge hal met de kluisjes binnenliep, werd je overvallen door een drumroffel die door lichtbakken heen denderde als een nachttrein. Lichtflitsen weerkaatsten op de dichte rook als voorbij suizende lantaarnpalen. Het was meteen duidelijk waar DGTL over gaat: groot, groter, grootst, maar toch een beetje underground.

DGTL is een innovatief en goed doordacht dancefestival met een ijzersterke productie. Sinds 2016 is er geen hamburger meer te koop en betaalt het publiek met digitale munten op een polsbandje. Glazen worden gerecycled en dit jaar kookt het festival zelfs op biogas. In toenemende maten zie je er vriendengroepen die Spaans, Vlaams of Engels spreken, soms in tenue, zoals de jongens met de gekleurde helikopterpetten. Die moeten het ongetwijfeld makkelijker maken om elkaar terug te vinden in de vrij gigantische ruimtes op de oude scheepswerf, zes in totaal. De doorstroom is dit jaar beter dan ooit, de line-up ook.

House-dj Honey Dijon dreef het publiek de muren op met doffe drums en disco acapella's op zaterdag. Foto Jordy Brada

Iedereen ging voluit op de traditionele opener van het dancefestivalseizoen, als kalveren in de wei. Soms werkte dat goed. Honey Dijon, de house en disco-dj die overal is deze zomer, drukt de bij elkaar geperste massa bijna tegen de muren als een centrifuge met keihard klapperende drumtracks en acapella’s van discohits als Chaka Khans ‘Ain’t Nobody’. Soms lukte het minder. Zowel Mal Grab als Dennis Sulta speelden ronduit plat in de uit golfplaten opgetrokken Filter-zaal, waar vrijwel alles kaal klonk.

Homerus

Op zaterdag hoorde je opvallend veel invloeden uit psychedelische rock. Oceanic draaide na Dollkrauts live band zijn house voor de lange adem: tracks met lange melodielijnen, die als een achtbaankarretje ratelend omhoog kwamen. Hij werd opgevolgd door Red Axes, het live duo uit Tel Aviv. Met een drummer op het podium, een arsenaal aan drumcomputers en beats gemaakt van hun eigen stem lieten deze punksterren horen klaar te zijn voor de grote podia. Hun mix van psychedelische synthlijnen en sambapercussie was absoluut hypnotiserend.

Ida Engberg liet horen hoe je een grote tent warm kreeg op zondagmiddag, met harde kicks, trance-classics en platen als 'Bang' (Tiger Stripes). Foto Jordy Brada

Als dj op DGTL moet je weten hoe je grote zalen groots moet bewerken. Gelukkig bleken de meeste dj’s die het festival had geboekt daar als geen ander toe in staat. Neem Laurent Garnier, die laag na laag aan epische tracks over de Modular-zaal wist uit te smeren. De Homerus van de melodieuze techno kreeg een staande ovatie toen hij met dramatische heupdraaien en filtereffecten afsloot met ‘The Road’ van Kölsch.

Intussen overrompelde Dax J snoeihard en meedogenloos met sloopkogelbeats een hal verderop. Die tunnel van techno legde hij ineens helemaal stil om daarna in twee minuten weer op te trekken van nul naar 200 met niet meer dan kale percussie.

Toch bleek Jeff Mills, nog steeds de echte wizzard onder de afsluiters. Gehuld in een spetterend rood discojasje wist hij met tintelende hihats en een daverende live solo op zijn bascomputer een muzikale finale neer te zetten waarbij het simpelweg onmogelijk was om te vertrekken of stil te blijven staan. DGTL doet groots simpelweg goed.

Van de kleurrijke containerboog halverwege het festivalterrein tot de fabriekslampen en het strakke lichtplan: het industriële concept was overal doorgevoerd op DGTL. Foto Tim Buiting