Foto Merlijn Doomernik

‘Vluchteling snel aan het werk’

Wouter Koolmees Minister Sociale Zaken Minister Koolmees, verantwoordelijk voor integratie, wil vluchtelingen en migranten niet stil laten zitten en direct werk geven.

Praten met Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) lijkt in niets op spreken met een minister van integratie – het onderwerp dat tot zoveel polarisatie leidde de afgelopen jaren. Hier zit een arbeidseconoom en voormalig financieel woordvoerder in de Tweede Kamer die nu als minister óók integratie in zijn portefeuille heeft. En die dat zo praktisch mogelijk wil aanpakken.

Dat is zichtbaar in zijn visie op integratie, die hij op vrijdag presenteerde in een brief aan de Tweede Kamer. Hierin geen vergezichten over hoe mensen zich moeten aanpassen aan de Nederlandse samenleving. De titel, Verdere integratie op de arbeidsmarkt, zegt alles: integratie betekent voor deze minister bovenal dat iedereen aan het werk moet.

De minister wil „interventies” doen die zoveel mogelijk steunen op wetenschappelijk onderzoek.

Uw brief gaat alleen over de arbeidsmarkt. Reduceert u integratie niet tot een arbeidsmarktkwestie?

„Zeker niet. Maar het is, samen met het leren van de taal, wel mijn focus. Het gaat economisch goed met Nederland en daar moeten we gebruik van maken. We hebben nu heel veel mensen die aan de kant staan. En dat is – zowel voor die mensen zelf, als voor onze economie – ongewenst.”

Over welke groepen gaat dit?

„Over Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond. Dat zijn mensen die hier al jaren zijn. En het gaat over vluchtelingen die net aankomen en de asielstatus hebben. Vluchtelingen moeten zo snel mogelijk de taal leren. Ik wil taalles vanaf de eerste dag dat ze in Nederland zijn. Nou ja, eigenlijk vanaf dag acht, want zolang duurt de asielprocedure.

„Ook asielzoekers moeten zo snel mogelijk aan het werk. Werken is ook goed voor de taal, omdat je Nederlands spreekt met collega’s. Nu is het zo dat mensen veel te lang niets doen in een asielzoekerscentrum.”

Werk en taal dus. Een bredere integratienota komt er niet?

„Nee. Natuurlijk gaan we door met het bredere integratiebeleid en hebben we discussies over radicalisering. Dat is veelal lopend beleid, of ik doe dat samen met andere ministers, waarbij een van ons het voortouw neemt. Over aanpassingen aan het inburgeringsstelsel, informeer ik de Kamer voor de zomer.”

Foto Merlijn Doomernik

Koolmees wil werkgevers helpen meer open te staan voor een ánder soort werknemers, door hen bewust te maken van vooroordelen en discriminatie. Dat wil hij doen door programma’s zoals het uitwisselen van ervaringen tussen werkgevers en het aanbieden van kennis over discriminatie op de arbeidsmarkt.

Werknemers moeten eveneens de goeie richting op geduwd worden. Voor de lastigste groepen zoals Somaliërs en Eritreeërs – die veelal laagopgeleid zijn of analfabeet – wil Koolmees dat gemeenten gaan experimenteren met een individuele, niet-vrijblijvende aanpak. Jongeren hoopt hij door adviesgesprekken aan de keukentafel waarbij ook de ouders aanschuiven, over te halen een ándere studiekeuze te maken.

Koolmees: „Met name allochtone jongeren in het mbo kiezen vaak voor white-collar studies. Economie, iets juridisch of administratiefs. Terwijl er behoefte is aan handwerk. Er zijn banen in de haven, als loodgieter, er is behoefte aan vakmensen. De studiekeuze is zo bepalend voor de kans op een baan later.”

Voor zijn plannen trekt Koolmees 10 miljoen euro uit, voor vier jaar. Ter vergelijking: de gemeente Amsterdam besteedt jaarlijks 26 miljoen euro om mensen in de bijstand aan het werk te helpen.

Is 2,5 miljoen per jaar niet weinig om iedereen aan het werk te helpen?

„ Daar ben ik het niet mee eens. Ik kan 100 miljoen uittrekken voor een bepaalde maatregel en dan blijkt het niet te werken.”

U duwt een beetje tegen de werkgever, trekt een beetje aan de werknemer, het is zo …

„Soft? Dat ben ik absoluut met jullie oneens. Eén grote maatregel is schijnstoerheid. De groep waar het om gaat, is zo divers. De apotheker uit Aleppo, de analfabete Eritreeër, de Marokkaanse Nederlander die hier is geboren: iedereen moet anders benaderd worden. Daarom onderzoek ik de mogelijkheid van een persoonlijk integratieplan. De praktijk is weerbarstig. Ik wil concrete projecten wetenschappelijk getoetst hebben. Zo weet ik wat werkt zodat ik dat breder kan uitrollen.”

Duurt dat niet te lang? Mensen zijn nú nodig.

„Ik kan niet zeggen: we gaan dít doen en dan is iedereen aan het werk. Zo maakbaar is de samenleving niet. Er zijn vastgeroeste vooroordelen, praktische belemmeringen. Het is naïef te denken dat je die vanuit Den Haag kunt oplossen door met een zak geld te strooien.”

Uw voorganger, Lodewijk Asscher (PvdA), zette ook in op werk.

„Is dat zo? Maar nee, over mijn voorganger ga ik niks zeggen, daar heb ik helemaal geen zin in.

Hier spreekt een minister die niet zo ideologisch kijkt. Is dit de D66 aanpak van integratie?

„ Inderdaad, ik wil weten wat werkt. In het verkiezingsprogramma van D66 uit 2012 had het hoofdstuk integratie één paragraaf en daar stond: integratie is meedoen. Vanuit daar volg ik een consistente lijn.

Vindt u dat de Nederlandse regering niet moet bepalen hoe nieuwe Nederlanders denken over zaken als homoseksualiteit of kindhuwelijken?

„Jawel, soms moet dat. Wat in Nederland kan en niet kan, is ontzettend belangrijk, zeker voor het bewaken van de democratische rechtsorde en onze vrijheden. Daar gaat ook een deel van de vragen uit het inburgeringsexamen over. De kritiek is vaak: dat zijn domme vragen, want ze zijn multi-interpretabel. Jij zal ze anders invullen dan ik. Zoals de vraag of de tv mag aanstaan tijdens het stofzuigen. Zo’n vraag is op verzoek van de Kamer toegevoegd, omdat duurzaamheid een grotere rol moest spelen in de vraagstelling. Maar nee: dat vind ik niet de meest noodzakelijke vraag.

Het klinkt of u zo ver mogelijk van dat normeren vandaan wilt blijven.

„Nou, een beetje. Maar voor je het weet, wordt mij in de mond gelegd dat ik niet wil normeren. En dat klopt ook niet.”