Commentaar

Debat over inperken van één imam gaat verkeerde kant op

Moet de staat kunnen optreden tegen een prediker die binnen de grenzen van de wet blijft, maar toch gevaarlijk wordt gevonden? De Tweede Kamer en minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie, CDA) voerden deze week tijdens het vragenuurtje een oppervlakkige, haast lichtzinnige dialoog over de vraag wat de salafistische imam Fawaz Jneid nu wel of niet in zijn Facebook videotoespraken mag zeggen.

Eerder noemde de nationaal coördinator terrorismebestrijding Dick Schoof in het tv-programma Nieuwsuur Fawaz’ uitspraken over burgemeester Ahmed Aboutaleb (PvdA) ‘gevaarlijk’, maar overigens niet strafbaar. Zijn toespraken zouden namelijk door radicale jongeren begrepen kunnen worden als een oproep om geweld te gebruiken, bijvoorbeeld tegen Aboutaleb. Strafrechtelijk was daar niets aan te doen omdat Fawaz niet concreet opriep tot geweld – de zorg zat in het salafisme als zodanig, waarbinnen dat wél zo opgevat kan worden. Context en interpretatie dus.

Tijdens het vragenuurtje drong men vervolgens Kamerbreed aan op ‘maatregelen’, zonder een woord te wijden aan de implicaties ervan. Gevaarlijke woorden leiden tot gevaarlijke daden – en dus moeten die woorden afgestraft, zo was de redenering. Moet er dus een politieagent bij iedere kansel komen, of een officier van justitie die alle Facebook-oraties en postings beoordeelt op geweldsrisico?

Zou daarover zijn nagedacht? Het leek er niet op. Alleen Grapperhaus zag een „duivels dilemma” – er komen in Nederland namelijk wel vaker radicale of emotionele uitingen in het publieke debat voor, wist hij. Was de Kamer hier bezig met wetgeving voor één imam, zoals het eerder (niet bestaande) ‘spoedwetgeving’ besprak om het salaris van één bankdirecteur in te perken?

Intussen liet de minister zich ook meeslepen. Hij toonde zich ronduit „gefrustreerd” en verweet de imam „binnen de randen van de wet” te zijn gebleven, zodat hij zijn kennelijk desondanks verdiende straf wist te ontlopen. De minister stond achter het oordeel van het Openbaar Ministerie dat geen strafrechter een overtreding van het artikel over haatzaaien of bedreiging door de imam zou constateren. Kennelijk omdat daar onvoldoende feitelijk bewijs voor was. Toch moet die overtreding dan maar gauw alsnog juridisch worden geconstrueerd, gezien de verwerpelijke taal van de imam, zo luidde de consensus.

Het debat leidde gelukkig nog tot niks concreets. Maar het gaat wel de verkeerde kant op. Grapperhaus zei na afloop tegen de pers, en veel duidelijker dan in de Kamer, dat hij van de „straffeloosheid van dit soort uitlatingen af wil”. Meningen die „mij of mijn samenleving bedreigen moeten ophouden”. En het woord van Voltaire – „Ik verdedig uw mening ook al ben ik het daar niet mee eens tot mijn dood erop volgt – daar ga ik niet voor”.

Meningen die „op moeten houden”? Wat wordt hier eigenlijk gezegd? Gedachten zijn tolvrij – en meningen ook. Het is goed om er aan te herinneren dat de grondwettelijke uitingsvrijheid in Nederland door de Europese rechter is omschreven als het vrij mogen choqueren, kwetsen en verontrusten. Dat is geen gering goed – daarbinnen passen tot nu toe ook predikers die geloofsgenoten kwalificeren als afvallig, zondig of anderszins ongeschikt om tot de gewenste Rechte Leer te behoren.

Wat niet wil zeggen dat er aan onverdraagzaamheid geen grens gesteld kan worden. De Amsterdamse ex-gemeentepoliticus Delano Felter die zich op tv had beklaagd over „agressieve homofielen” die moesten „opsodemieteren”, kreeg in 2014 van de Hoge Raad te horen dat politici een zekere plicht hebben geen uitlatingen te verspreiden die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.

Misschien is de rechter ook wel te brengen tot het formuleren van een beperking voor religieuze sprekers, indien die binnen een gewelddadige geloofsrichting opereren. Dan doet het Openbaar Ministerie er goed aan om toch een poging te wagen bij de rechter – en het kennelijk brede politieke verlangen naar de inperking van de godsdienstvrijheid in de rechtszaal eerst eens te toetsen.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.