Hapoel Katamon: de enige echte fanclub in Israël

Voetbal in Jeruzalem Bij de Israëlische voetbalclub Hapoel Katamon gaan ze niets uit de weg, sluiten ze niemand uit. En supporters zijn de baas. „We willen dat de kinderen klaar zijn voor de moeilijke situatie in dit land.”

Supporters in het Teddy Stadium. Foto Tammy van Nerum

Het Teddy Stadium in Jeruzalem is op deze maandagavond niet eens half gevuld voor de topwedstrijd in de Leumi League, de tweede divisie van Israël. In de hal worden zuurkool, cola en petjes verkocht, ergens in de verte klinken de supportersliederen van de bezoekende club, Hapoel Tel Aviv. De vakken van de thuisploeg, Hapoel Katamon, kleuren langzaam rood van de vlaggen en sjaals.

Beneden op het veld kopt nummer 14 een bal uit de gevarenzone. De nieuwe club van voormalig De Graafschap-verdediger Jeroen Tesselaar is niet zomaar een club. Hapoel Katamon werd ruim tien jaar geleden opgericht door supporters van Hapoel Jerusalem, die ontevreden waren over het beleid van de eigenaren. Als eerste voetbalclub in Israël werd zij eigendom van de supporters.

De ‘common sense’ in Jeruzalem is haat, dat proberen wij te doorbreken.

Katamon-supporter en vrijwilliger Adeer Schwarz

Bovendien heeft Hapoel Katamon zijn handelsmerk gemaakt van tolerantie en inclusiviteit. Terwijl Jeruzalems topclub Beitar berucht is om het uitgesproken racisme van de aanhang, wappert bij Hapoel Katamon een ‘Refugees Welcome’-vlag tussen de rode vlaggen. Bij andere wedstrijden tonen spelers en supporters met roze t-shirts en regenboogvlaggen hun steun voor de lhbt-gemeenschap, die in het traditionele Jeruzalem nogal eens onder vuur ligt.

Die sociale taak wordt net zo serieus genomen als de sportieve ambities. Tesselaar en de andere profspelers zijn verplicht zich beschikbaar te stellen voor sociale projecten. Het paradepaardje is de Neighborhood League, waarbij voetbaltraining aan kinderen uit verschillende, voornamelijk arme wijken in de stad wordt gecombineerd met lesprogramma’s.

De Neighbourhood League. Foto Tammy van Nerum

Palestijns vluchtelingenkamp

Een paar dagen later, een voetbalveldje in een buitenwijk. De dertienjarige Nour, een lange puber met een brede grijns en een knotje waar uitbundige krullen uitspringen, neemt een corner voor het groene team. De bal gaat recht in de voeten van een tegenstandster, maar dat maakt niet uit. Haar moeder staat trots te kijken. Nour en haar teamgenoten wonen in een Palestijns vluchtelingenkamp, het team met de zwarte shirtjes komt uit een nabijgelegen nederzetting.

„Wat hier gebeurt, gebeurt nergens”, zegt Katamon-supporter en vrijwilliger Adeer Schwarz. „De ‘common sense’ in Jeruzalem is haat, dat proberen wij te doorbreken.”

Bij Hapoel Katamon voetbalt iedereen met iedereen. Seculier met religieus, nieuwe Ethiopische immigranten met geboren Israëliërs van Europese afkomst, moslim met Jood. In de jongenscompetitie voetbalt zelfs een ultraorthodox Joods team, al is dat bij de meisjes een brug te ver.

Vroeger ontmoette ik helemaal nooit Arabische meisjes. Nu spelen we in elk geval samen.

Noga Vaknin

Voor veel gemeenschappen in de stad is het nog bepaald geen vanzelfsprekendheid dat meisjes achter een bal aanrennen. „Nours vader is ertegen dat ze voetbalt”, vertelt Yasmine Abu Hamdan, een tengere vrouw met donkerrode hoofddoek. „Maar ze is hier toch zoals je ziet”, voegt ze daaraan toe met dezelfde vrolijke grijns als haar dochter. Tussen twee wedstrijden door vertelt Nour spontaan hoe gezellig het was toen de meisjes van het rode team, uit een Joodse wijk, bij haar team op bezoek gingen.

Dat het sociale imago meer is dan een promotiepraatje, heeft Jeroen Tesselaar ervaren. Op zijn eerste dag in Jeruzalem werden de spelers uitgenodigd in de dierentuin – de directeur bleek een supporter van de club. Een supporter-makelaar hielp Jeroen en zijn vrouw Brigit een huis te vinden, een andere supporter trok de internetkabels. „Het is echt één grote familie hier, alles draait op supporters.”

Een speler in gebed. Foto Tammy van Nerum

Complexe realiteit

Natuurlijk kan ook de happy family de complexe realiteit niet buiten de deur houden. Zo blijkt het huis dat Tesselaar kreeg aangeboden in een aan Jeruzalem vastgeplakte nederzetting te staan. Als hij boodschappen gaat doen in de Palestijnse stad Ramallah, kijken zijn Israëlische teamgenoten hem aan alsof hij gek is. Een eerdere poging om een meisjesteam op te zetten in het vluchtelingenkamp van Nour strandde na bezwaren van religieuze leiders. En de aanleiding dat de twee teams bij elkaar op bezoek gingen, was een relletje tijdens een toernooi. „Zij konden ons niet verstaan en wij hen niet, dus we zagen alleen maar dat ze agressief deden”, zegt Noga Vaknin uit het rode team.

Maar dat is juist de kracht van Hapoel Katamon, zegt vrijwilliger Schwarz. „Mensen die doen alsof het hier simpel is, ontkennen de realiteit. Wij gaan niets uit de weg, we sluiten niemand uit. We willen dat de kinderen klaar zijn voor de moeilijke situatie in dit land.” Hoe klein de stappen zijn, illustreert een van de momenten die Schwarz beschrijft als revolutionair. „In het dal tussen een vluchtelingenkamp en een nederzetting ligt een voetbalveldje waarop Joodse en Arabische jongens uit de twee wijken spelen”, vertelt hij. „Normaal gesproken vechten ze daarom – de kant die wint, speelt die dag. Tot jongens uit de nederzetting en jongens uit het kamp elkaar op een gegeven moment herkenden van een toernooi. Die zomer besloten ze samen te spelen.”

Er worden handen geschud voordat de meisjes ieder weer hun eigen kant uitgaan. „We kunnen elkaar nog steeds niet echt verstaan,” zegt Noga. „Maar vroeger ontmoette ik helemaal nooit Arabische meisjes. Nu spelen we in elk geval samen.”

    • Jannie Schipper