Opinie

    • Georgina Verbaan

Vreemde

Binnen vijf seconden sterke gevoelens ontwikkelen voor een vreemde is uitzonderlijk. Een mens dat je niet eerder zag, een mens van wie je het gezicht nog niet eens gezien had toen het je overviel, omdat het zo snel ging, je meteen meters diep dat gevoel in lazerde. Een groot gevoel. Het gebeurde mij net. Had jij dat ook, vreemde? Werd jij ook overvallen? Kon jij nog denken? Dacht jij überhaupt wel? Of ben jij er zo een die tegen iedereen zo doet? Zonder aanzien des persoons? Doe jij dit vaker? Ik vermoed van wel. Ik ben niet speciaal voor jou. Dat maakt mijn gevoel nog groter. Dat mag je best weten.

Maar ik kon het je niet vertellen, vreemde. Niet meteen. Ik had er niet direct de woorden voor. Mijn bijnieren bonkten, mijn hypothalamus zwol op, de achterkwab van mijn hypofyse ging van blubber naar diamant en scoorde een tien op de hardheidsschaal van Mohs. Vasopressine, cortisol en testosteron sneden door mijn bloedbaan in hoeveelheden die het mij onmogelijk maakten te bewegen. Van volle snelheid naar lijkstijve stilstand, aan het einde van een brug.

Jij zag me aankomen. Je duwde het gas van je bestelbus zo diep mogelijk in om mij niet te kunnen missen. Gooide die bus voor mijn fiets. Je remde. Gelukkig. Je raampje was al naar beneden gedraaid. Alsof je mij verwachtte voor je wist dat ik bestond. Toen je mij klem gezet had, had jij woorden voor mij klaarliggen. Als een vers gestreken pyjama naast een opgevouwen handdoek op het randje van een bad.

Een wirwar van lelijke krassen die vaag het idee van een mens oproepen, met als enig herkenningspunt een worstneus

‘Ruuuuustig”, zei je, „niet zo’n haast, vrouwtje.” Dat was het. Het equivalent van „Niet zo schreeuwen” blijven roepen als iemand op bedeesde toon een punt maakt. Haat. Haat is wat ik werd. Meteen. Een stilstaand lijf gemaakt van haat. Voor jou. Althans, zo voelde het. Misschien is dat niet zo eerlijk van mij en mijn lichaam. Misschien zorg je goed voor een hond. Misschien huil je om commercials waarin een vader zijn dochter optilt in zacht zomerlicht, omdat je de jouwe niet mag zien van haar moeder, en stuur je die dochter kaarten van puppy’s met wiebelogen die altijd onbeantwoord blijven.

Nu ik onze ontmoeting probeer te reconstrueren kan ik jouw gezicht nog steeds niet zien. Uit je bus steeg de holle lach van een radio-dj op, en de geur van shag en gemorst bier. Het enige plaatje dat ik kan maken is dat van een rommelige cartoon. Een wirwar van lelijke krassen die vaag het idee van een mens oproepen, met als enige herkenningspunt een worstneus. Ik had tegen die neus moeten roepen dat ’ie zijn gore bek moest houden. Want ik weet niet veel van je, maar wel dat je neus zijn eigen bek heeft. En dat die bek ook wel eens vrouwen beveelt te lachen, omdat de ogen op je worstneus het zo nu eenmaal graag zien. De volgende keer dat je „Rustig aan, vrouwtje” zegt, spreek je tegen je hond. Afgesproken? Verder hoop ik natuurlijk dat je je dochter snel eens kan optillen om te genieten van haar lach. Dan hoef je niet meer te doen alsof je vrouwen aanrijdt. Dat is gevaarlijk namelijk.

    • Georgina Verbaan