Opinie

Pas op als CIDI met definitie voor antisemitisme aankomt

Waarom mag FvD’er Annabel Nanninga over „mooie ovens” twitteren en moet partij Nida in de ban als ze Israël voor terreurstaat uitmaakt? CIDI heeft wat uit te leggen, vindt .

Een tweet van Annabel Nanninga (Forum voor Democratie) op 13 februari 2011

De recente rel rondom de Israël-tweet uit 2014 van de Rotterdamse partij Nida nodigde sommigen uit hun stokpaardje te berijden. Zoals Hanna Luden, directeur van het CIDI, die meent dat deze op de islam geïnspireerde partij zich in een „schemergebied” van antisemitisme bevindt (NRC, 19/3).

Je mag van de tweet, waarin Nida Israël met IS vergeleek, vinden wat je wilt, maar ‘antisemitisch’ is een twijfelachtige kwalificatie. Nida provoceerde het zionisme als ideologie en de staat Israël, die toen dood en verderf zaaide in Gaza. Geen uitspraken over Joden, laat staan haatdragende.

Dat lag geheel anders bij tweets die het kersverse raadslid Annabel Nanninga, de lijsttrekker van Forum voor Democratie in Amsterdam, tussen 2009 en 2017 de wereld in slingerde. Daarin sprak ze over Hitlers „mooie ovens”, „gas geven als je een jood ziet” en „Mein Kampfen” als kerstcadeau. Als hashtag bedacht ze „#auschwitzen”. Uitgerekend voor Nanninga breekt CIDI-directeur Luden een lans. Nanninga’s tweets waren weliswaar „zeer kwetsend” voor Joden, noteert Luden, maar zij heeft ruiterlijk toegegeven dat die hard, cynisch en smakeloos waren. Daarmee is de kous voor Luden af!

Werkdefinitie Antisemitisme

Wat als Nanninga had behoord tot een partij die kritisch staat tegenover de Israëlische bezetting? Dan was ze tot in lengte van dagen voor haar uitspattingen achtervolgd. Maar ze behoort tot de partij van Thierry Baudet, die blijk gaf van blinde steun voor Israël en zijn bezettingspolitiek.

Zie hier in één opiniestuk CIDI’s dubbele maatstaf en moraal: als het om antisemitisme gaat, is het selectief, zolang Israëls bezettingspolitiek maar ontzien wordt. Niet alleen het CIDI is selectief: premier Netanyahu papt aan met de Hongaarse premier Orbán, die het antisemitisme in zijn land voedt. President Trump, door Israël op handen gedragen, zei dat er „some very fine people” zaten onder de lieden die antisemitische leuzen riepen bij hun demonstratie in Charlottesville. CIDI zweeg.

Waar het Luden om te doen is, blijkt in de staart van haar betoog. In één adem schakelt zij daar van Nida over naar de ‘Werkdefinitie Antisemitisme’ van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), die zij aanprijst als „een heldere, universele definitie” voor het herkennen van antisemitisme. Hier moeten alarmbellen afgaan. Een lobbyorganisatie als het CIDI, altijd openlijk op de bres voor Israël, wat dat land ook uitspookt, die ons een ‘definitie’ van ‘antisemitisme’ aanprijst, met als garantie dat hiermee degenen die kritisch zijn, maar niet antisemitisch, beschermd worden tegen onterechte aantijgingen. Hoe verkoop je een adder onder het gras? Zo.

Het is een gotspe bovendien, want die ‘definitie’ is allesbehalve duidelijk. Antisemitisme wordt gedefinieerd als „een zekere perceptie van Joden die tot uitdrukking kan komen in haat jegens Joden”. Dat is buitengewoon vaag en valt dus naar believen in te vullen.

Een voetnoot met grote implicaties

Het kardinale bezwaar tegen deze definitie is dat hiermee wel degelijk kritiek op het karakter en het beleid van de staat Israël als antisemitisme aangemerkt kan worden. Denk de verkondiging dat Israël een dubbele maatstaf hanteert, of racistisch is. Of dat er aan Israël eisen worden gesteld waar andere landen van gevrijwaard zijn. En waag eens het zelfbeschikkingsrecht van het ‘Joodse volk’ te ontkennen. Het is een glijdende schaal. Wie post- of antizionist is, of gewoon kritisch, wordt op een dag wakker met een antisemitisme-aanklacht. Zie wat Nida na vier jaar overkwam.

Hier komt vrijheid van debat en meningsuiting in het geding – en dat is geen toeval. De IHRA-definitie komt uit de koker van de Amerikaanse Israël-lobby en gaat terug tot 2004. Zij is mede ontwikkeld door het European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia (EUMC). Echter, de Fundamental Rights Agency (FRA) van de EU, die de EUMC heeft vervangen, schoof de definitie in 2012 terzijde.

Dat wekte grote woede onder organisaties van de Israël-lobby. Zij hechten aan de definitie als instrument om critici te stigmatiseren en monddood te maken. Sindsdien zoekt ze nieuwe wegen om er draagvlak voor te werven. Dat is ook de inzet van Luden, die haar artikel besluit met een oproep aan de landelijke politiek om de definitie „in navolging van de Amsterdamse partijen” over te nemen.

Luden doelt op de Amsterdamse partijen, die onlangs een ‘Joods Akkoord’ ondertekenden waarin ze zich committeren aan de strijd tegen antisemitisme. Per voetnoot is de IHRA-definitie aan het akkoord gekoppeld. Ik betwijfel of de ondertekenaars de implicaties daarvan hebben onderkend.

Het creëert een schemergebied

In tegenstelling tot wat de Israël-lobby beweert, nam de EU de IHRA-definitie nooit aan. Nederland houdt de boot eveneens af. In antwoord op Kamervragen zeiden de toenmalige ministers Blok en Asscher in 2017 dat „het kabinet geen toegevoegde waarde [ziet] in het aannemen van een juridisch bindende internationale definitie” en dat er „al een goede vorm van registratie en rapportage van antisemitisme” bestaat. Zij benadrukten tevens „dat het van belang is om onderscheid te blijven maken tussen stellingname ten aanzien van het beleid van de Israëlische regering en antisemitisme”.

Anders dan Luden doet voorkomen, maakt de IHRA-definitie geen helder onderscheid tussen Israëlkritiek en antisemitisme maar creëert juist een schemergebied. Lofwaardig dat politici willen strijden tegen antisemitisme, maar zij mogen zich niet voor het karretje laten spannen van organisaties en personen die de bezetting van Palestina gedogen en de vrijheid van meningsuiting willen beknotten.