Orang-oetans krijgen asiel op een plantage

Natuurbescherming

Op Indonesisch Borneo slinkt het aantal orang-oetans vooral omdat dorpsbewoners er jacht op maken. Een internationale ngo én een bedrijf werken aan vreedzaam samenleven van mens en mensaap.

Orang-oetan bij de voederplaats in het Nationale Park Tanjung Puting, Midden-Kalimantan. Foto Darren Whiteside/Reuters en Kemal Jufri/Hollandse Hoogte

Het is moeilijk te voorspellen wat zijn dorpsgenoten doen als ze boos worden, zegt Fauzi. Geregeld wandelen er orang-oetans over hun akkers. Een paar keer per week, schat hij. „Het is een dilemma voor hen. Ze zijn geïrriteerd, maar ze weten dat ze niks mogen doen.” De orang-oetans ruïneren hun oogst, ze banjeren erdoorheen en eten van het fruit.

Fauzi – zoals veel Indonesiërs heeft hij maar één naam – woont in Kuala Satong, een dorpje in het westen van het Indonesische eiland Kalimantan. De huizen van het dorp liggen als een lint aan de provinciale weg, meteen erachter begint het oerwoud. Fauzi’s huis is eenvoudig, het is van hout en er staan geen meubels. Bezoek ontvangt hij op de vloer.

Fauzi werkt als lokale waarnemer voor International Animal Rescue, een hulporganisatie die in Kalimantan probeert orang-oetans te redden. In hun administratie staat Fauzi’s dorp als hotspot geregistreerd: als plek waar orang-oetans gevaar lopen. Fauzi houdt voor IAR in de gaten of er orang-oetans langskomen. En vooral wat dat met het humeur van zijn dorpsgenoten doet.

Of ze het echt zouden durven, een orang-oetan neerschieten? Fauzi durft het niet te zeggen. Bij hem in het dorp weten ze dat het is verboden, dat orang-oetans een beschermde diersoort zijn.

Toch is het in Indonesië helemaal niet denkbeeldig dat inwoners orang-oetans doodschieten. Uit nieuw onderzoek blijkt zelfs dat het veel vaker gebeurt dan gedacht.

In het wetenschappelijke tijdschrift Current Biology schreef de Duitse onderzoekster Maria Voigt eind februari dat in zestien jaar tijd, tussen 1999 en 2015, ongeveer 148.500 orang-oetans moeten zijn verdwenen. Ze maakte haar berekeningen aan de hand van data van 38 instellingen. Ze verzamelde onder andere satellietbeelden en tellingen van apennesten in de bossen. En om het aantal in perspectief te plaatsen: in dezelfde periode hebben hulporganisaties misschien duizend orang-oetans gered, schrijft Voigt.

De opvallendste conclusie uit haar onderzoek is dat de grootste daling van het aantal mensapen niet in ontboste gebieden plaatsvond, zoals te verwachten zou zijn omdat daar hun hele habitat is verdwenen. In die gebieden vond ongeveer 10 procent van de daling plaats. Maar de meerderheid van de orang-oetans, ongeveer 70 procent, verdween juist in beboste gebieden. Dat zijn stukken grond waar nog ‘gewoon’ oerwoud staat, of waar alleen selectieve houtkap plaatsvond.

Geen ziektes maar kogels

Hieruit maakt Maria Voigt op dat het actief doden van orang-oetans een veel groter onderdeel van de daling moet uitmaken dan bekend was. „We hebben geen ziektes aangetroffen, zoals ebola bij de primaten in Afrika”, zegt ze aan de telefoon vanuit Duitsland. „Dus de enige verklaring kan zijn dat de inwoners van Kalimantan op orang-oetans jagen en ze neerschieten.”

Foto Bay Ismoyo / AFP

Dat is precies wat International Animal Rescue (IAR) probeert te voorkomen. Boer Abdul Halim heeft een stuk land waar hij chilipepers, bananen en okra verbouwt, een tropische groente. Het ligt op het randje van een groot nationaal park en het is onduidelijk of Halim de grond hier eigenlijk wel mag bewerken. Maar hij doet het toch en dus heeft IAR hem geleerd wat hij moet doen om de orang-oetans op afstand te houden.

Twee keer per dag schiet Abdul Halim met carbid, ook als hij geen orang-oetans in de buurt ziet. „Je moet het geregeld doen, het lawaai zorgt ervoor dat ze niet hierheen durven komen.”

Halim is geen moeilijke klant voor IAR. Hij vindt het wel geinig dat orang-oetans zo op mensen lijken. „Ze doen niemand kwaad, dus waarom zou ik hen iets aandoen?” Hij vindt makaken irritanter, zegt hij. Orang-oetans zijn in hun eentje of soms met een baby, maar de makaken komen met wel twintig of dertig tegelijk. Ze eten van al zijn planten en laten zijn land in chaos achter.

Andere boeren zijn veel scherper over orang-oetans dan Halim, vertelt Efendi Barata. Hij is trainer voor IAR en krijgt geregeld scheldpartijen over zich heen.

IAR probeert samen met de Indonesische overheid om de orang-oetans die overlast aan dorpen bezorgen, te verplaatsen naar nationale parken. Alleen dat lukt niet altijd meteen. En in het fruitseizoen komen de orang-oetans haast elke dag naar de bewoonde wereld voor hun eten. „Dat werkt mensen op hun zenuwen. Dan roepen ze, als jullie nu niets doen, schieten we ze neer.”

130 kogels in zijn lijf

Het romantische westerse beeld van orang-oetans, die bijzondere en met uitsterven bedreigde dieren die zoveel op mensen lijken – dat ligt in Indonesië dus net even anders. In februari werden in het oosten van Kalimantan vier mannen opgepakt omdat ze met een luchtbuks een orang-oetan hadden neergeschoten. De hulpdiensten vonden 130 kogels in zijn lijf. Verderop, in Midden-Borneo, werden twee mannen gearresteerd omdat ze ook een orang-oetan hadden vermoord, zij gebruikten ‘maar’ zeventien kogels.

Er zijn genoeg Indonesiërs die orang-oetans en de westerse obsessie met de dieren beu zijn, vertelt onderzoeker Erik Meijaard van de universiteit van Queensland. Ze kijken met scheve ogen naar de bakken met geld die de reddingsoperaties kosten: „Mijn kind heeft honger, maar naar het redden van zo’n lelijke aap gaat zo 15.000 of 20.000 dollar, dat idee.” En dan stelen ze ook nog eens de doerians uit je tuin.

In 2009 liet Meijaard bijna 7.000 inwoners van Kalimantan interviewen om meer te weten te komen over de jacht op orang-oetans. Hij kwam erachter dat de redenen totaal kunnen verschillen: geregeld is het om de beesten op te eten, soms is het uit angst en zelfverdediging, soms om de baby’s te verkopen en soms ook omdat dorpelingen voor het wegwerken betaald krijgen. In Indonesië kreeg hij kritische reacties: „Die data kúnnen niet kloppen, zeiden ze. Maar dit zijn de feiten.”

Ook het recente onderzoek van Maria Voigt, waar Meijaard aan meewerkte, is dubbel ontvangen, zegt hij. Zelfs non-gouvernementele organisaties waren er niet blij mee. „De grote palmoliebedrijven die stukken bos inpikken, zijn een veel makkelijkere vijand dan gewone Indonesiërs.” Al hangt het één hier met het ander samen. Door ontbossing worden orang-oetans naar de randen van de bossen gedwongen en komen ze dus vanzelf meer in de buurt van mensen.

Verzorgers verplaatsen orang-oetanwezen naar de jungle-school in het centrum van International Animal Rescue, West-Kalimantan.

Foto Darren Whiteside/Reuters en Kemal Jufri/Hollandse Hoogte

Langzame voortplanting

Natuurlijk wordt niet elke dag een orang-oetan neergeschoten, zegt Meijaard. Alleen, rekent hij voor, als in elk dorp in Kalimantan eens in de twee, drie jaar iemand een orang-oetan doodt, telt dat op tot in de duizenden. „Psychologisch gezien hebben we moeite met die getallen, maar intussen zijn we de beesten wel kwijt.”

En orang-oetans planten zich maar langzaam voort. De dood van één vrouwtje per jaar op honderd orang-oetans kan volgens hun onderzoek het voortbestaan van de soort al in gevaar brengen.

Erik Meijaard is niet alleen maar somber over de toekomst van orang-oetans. De wetenschap heeft jarenlang onderschat hoe flexibel de mensapen zijn, zegt hij. „Dat paste ook in onze romantische gedachten over hoe wij graag wílden dat orang-oetans zijn. We dachten dat ze alleen zouden overleven in zwaar beschermde bosgebieden.” Dat valt mee. Geredde orang-oetans worden nu vrijgelaten in gebieden waarvan ngo’s voorheen dachten dat ze er niet goed konden aarden en dat gaat prima.

Een mooi voorbeeld van hoe het óók kan, is de plantage van palmoliebedrijf PT Kal. Die ligt op een paar kilometer hobbelweg van de boeren die de orang-oetans uit hun achtertuin liever kwijt dan rijk zijn. In de hoge bomen, midden in het PT Kal-bos, slingert een jonge orang-oetan zich sloom van tak naar tak.

De afgelopen jaren heeft PT Kal hier elf orang-oetans opgenomen omdat ze overlast gaven in de dorpen uit de buurt. In totaal schat Nardiyono, ‘conservatiemanager’ bij het bedrijf, ligt het aantal orang-oetans in hun gebied rond de 150. „Ze zijn hier veilig, wij doen dagelijks een patrouille en houden in de gaten of er geen branden of andere gevaren zijn.”

PT Kal heeft ongeveer eenvijfde van hun gigantische plantage, ruim 19.000 hectare, tot beschermd natuurgebied verklaard. Dit blijft oerwoud. Tussen de oliepalmen door is een corridor aangelegd, zodat orang-oetans en andere beesten kunnen oversteken van het beschermde gebied naar het bos dat niet onder beheer van PT Kal valt. Ze hebben er fruitbomen geplant zodat de beesten in het goede spoor blijven, want ze willen ook nog wel eens oversteken naar de oliepalmen.

Het bedrijf begon in 2009 met de bescherming van de stukken bos en nam daarmee als één van de eerste palmolieplantages natuurbeheer serieus, vertelt Nardiyono. „Ik wil niet dat de orang-oetans zoals dinosaurussen worden. Dat je er alleen nog over kunt vertellen aan je kleinkinderen”, zegt hij. „Als iedereen nu gaat opletten, is het nog steeds mogelijk deze unieke diersoort te redden, dat weet ik zeker.”

Onderzoeker Erik Meijaard is het met Nardiyono eens, ook hij is „niet zo van de uitsterfpraatjes”. Maar het is wel hoog tijd dat er iets zinnigs gebeurt, zegt hij. Volgens hun laatste onderzoek zouden in de komende 35 jaar opnieuw tienduizenden orang-oetans verloren gaan als alles blijft zoals het is.

Een compensatieregeling zou kunnen helpen, voor de schade die boeren lijden door de orang-oetans die van hun velden komen eten. Een beetje extra inkomen zou hen minder afhankelijk van hun oogst maken, en dus de kans vergroten dat ze de orang-oetans laten leven. Alleen willen Indonesische politici hier niet aan: zij zeggen dat het immers al is verboden om orang-oetans te doden, dus dat het daarom niet mag gebeuren.

In de praktijk doet de politie amper iets aan handhaving van de wet. Zo eens in de paar jaar worden er wat verdachten gearresteerd. Terwijl het zeker een effectieve manier kan zijn om de orang-oetans te beschermen, zegt Erik Meijaard. Want het enige wat de inwoners hoeven te doen is de beesten níet neerschieten.

In het oosten van Kalimantan werden alweer een paar jaar geleden vier jongens opgepakt omdat ze in opdracht van een Maleisisch bedrijf orang-oetans uit het oerwoud hadden geknald. Betaald. „Ze gingen voor jaren de cel in en daar praten ze in het dorp nog steeds over.

„Door zulke voorbeelden denken de inwoners sneller: weet je wat, als het zoveel gezeur oplevert, laat die beesten dan maar zitten.”