Modehandel bruist niet meer in WFC

Modehandelscentrum Het World Fashion Centre in Amsterdam viert zijn 50-jarig bestaan. Het complex heeft betere tijden gekend. Veel huurders gingen failliet.

In het World Fashion Centre is de leegstand volgens de directeur zo’n 20 procent. Foto’s Olivier Middendorp

In de centrale hal bungelen levensgrote poppen in zilverkleurige jurken met gezichten van beroemde ontwerpers als Yves Saint Laurent. Jongeren in door modestudenten gemaakte jubileum-outfits lopen rond met taartjes en prosecco. Later op de dag wordt een koffietafelboek gepresenteerd, waarin de directeur, de stadsdeelraadvoorzitter en huurders de loftrompet steken over het World Fashion Center, oftewel WFC. „Een toplocatie”, aldus bijvoorbeeld de agent van het luxe Duitse skimerk Bogner.

Deze week is het vijftig jaar geleden dat Prins Bernhard de eerste twee torens van wat toen nog het Confectiecentrum heette, opende aan het Koningin Wilhelminaplein in Amsterdam. De Nederlandse groothandels die er introkken, zaten voorheen vooral aan de grachten. Begin jaren zeventig werden agenten van buitenlandse merken toegelaten. Met de derde (1977) en de vierde toren (1990) kwam het totale oppervlak op 200.000 vierkante meter: ’s werelds grootste modehandelscentrum.

Harry Bijl, ‘innovator’ bij retailorganisatie INretail, kwam begin jaren tachtig als inkoper te werken in het gebouw. Op de gangen en parkeerplaats was het „één bruisende massa die handel kwam halen en de auto vollaadde”, herinnert hij zich. Niet zelden spullen die in illegale ateliers waren geproduceerd.

Bruisen doet het niet meer

Van bruisen is geen sprake meer. Er zitten weliswaar nog een paar grote huurders, zoals het Duitse merk Gerry Weber en het agentschap van Jos Bles. C&A huurt een complete etage. Maar hippe, succesvolle Nederlandse namen als Scotch & Soda ontbreken. Toren 3 is recentelijk vanaf de tweede etage verbouwd tot appartementen voor de korte verhuur, in de overige drie torens is veel leegstand.

Er zijn verdiepingen waarvan maar één ruimte bezet is, en in de tweede toren zitten nu ook bedrijven die niets met mode te maken hebben, zoals een beveiligingsbedrijf en een advocatenkantoor. Door de gangen van het centrum loopt een enkele winkelier rond met een plastic zak met kleding – slechts een derde van de modehuurders verkoopt nog kleding vanuit de voorraad. Een van de levendigste plekken is de etage waar experimentele ontwerpers als Bas Kosters – van wie een outfit op de cover het jubileumboek staat – voor een vriendelijk bedrag werkruimte huren. „Schrijnend”, noemt Bijl de situatie. „Het is nog niet de helft van wat het was in de jaren tachtig.”

De neergang begon overigens al rond 1990. Bedrijven vertrokken, zo zeggen Bijl en Han Bekke (voorzitter van Modint, de branchevereniging van fabrikanten, importeurs, agenten en groothandelaren in kleding, mode-accessoires, tapijt en textiel), omdat ze zich stoorden aan de verkoop van in illegale ateliers geproduceerde kleding, of omdat ze een eigen locatie wilden waar ze klanten voor zichzelf hadden. Winkeliers kochten bovendien minder merken in en hadden vaker rechtstreeks contact met merken. Tegenwoordig worden bestellingen door winkels ook vaak online gedaan.

Een smet op de geschiedenis van het WFC zijn de drie aanslagen in mei en juni 2011 op twee zaken, waarbij handgranaten naar binnen werden gegooid en op ruiten werd geschoten. Bij een politieactie op de onderste verdiepingen van Toren 3, waar Indiase en Pakistaanse handelaren zaten, werd door de politie in augustus van dat jaar bij een huurder 840.000 euro in beslag genomen, drie mensen werden aangehouden voor illegaal bankieren.

De laatste jaren zijn zwaar geweest voor Nederlandse mode-ondernemers. Door de crisis, de stijging van onlineverkoop en de opmars van grote ketens als Zara en Primark hebben veel winkels hun deuren moeten sluiten – ongeveer 25 procent, volgens Bijl, al betreft dat getal alle non-foodwinkels. Ook aardig wat Nederlandse merken zijn failliet gegaan.

Miljoenenverlies

In 2016 draaide het WFC een verlies van 5,2 miljoen euro op een omzet van 8,4 miljoen euro. Dat verlies wordt in het jaarverslag deels verklaard door investeringen in het gebouw, maar ook door faillissementen van huurders. De jaren ervoor wisselden winst en verlies elkaar af.

Algemeen directeur Marianne van der Linden-Peetsold zegt dat het „voorspoedig” gaat met het WFC, dat op de derde toren na eigendom is van Zwitserse investeerders. „Onze bestaande huurders groeien, en we hebben ook weer nieuwe aanvragen.” De leegstand is volgens haar „om en nabij de 20 procent”, de helft waarvan „ingecalculeerd, zodat huurders kunnen uitbreiden.” En: „Sommigen vinden het juist prima om als enige op een etage te zitten.”

Han Bekke vindt het WFC nog steeds „een unieke plek, omdat je veel collecties bij elkaar ziet.” Hij ziet ook nog altijd toekomstmogelijkheden. 75 tot 80 procent van de kleding wordt volgens hem altijd nog in fysieke winkels gekocht. Het WFC zou kunnen helpen „winkels aantrekkelijk te houden voor de grillige consument van nu” door op deze locatie kleding op voorraad te hebben die inspeelt op de laatste trends. „Maar dan moet het management er wel voor zorgen dat het spannende merken binnenhaalt.”