Column

Mag het voormalige Oostblok misschien ook iets zeggen?

Een nieuw IJzeren Gordijn daalt neer. Was dat niet gebeurd als de NAVO indertijd beter naar Rusland had geluisterd? Hubert Smeets betwijfelt het.

De presidenten Bill Clinton (VS) en Boris Jeltsin (Rusland) in 1995. Foto Don Emmert / AFP

Een nieuw IJzeren Gordijn daalt neer in Europa. Over en weer worden de loopgraven betrokken. In sommige schuttersputjes klinkt ook nu weer: we hadden beter moeten luisteren naar Rusland, we hebben ons schuldig gemaakt aan woordbreuk door de NAVO na de Koude Oorlog uit te breiden.

Is dat waar? Ja en nee. Pratend over de toekomst van het in 1990 herenigde Duitsland heeft de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken inderdaad een keer geopperd dat de NAVO „not an inch” oostwaarts zou uitdijen. Maar dat idee is nimmer door zijn baas Bush en de andere bondgenoten uitgewerkt. Omgekeerd heeft Sovjetleider Gorbatsjov nooit zijn verlangen naar een nieuwe collectieve Europese orde uitonderhandeld. Daarna maakte Moskou er evenmin een halszaak van dat ZIJN oude onderhorigen tot de NAVO toetraden. President Jeltsin gaf ze in 1993 zelfs een zetje toen hij in het hol van de leeuw (Warschau) zei dat elk land het recht heeft zijn bondgenoten te kiezen en zelfs niet uitsloot, zij het theoretisch, dat Rusland ook lid zou worden.

Het debat gaat echter niet om louter feiten, vooral om percepties. De historici Svetlana Savranskaya en Tom Blanton van het National Security Archive in Washington schreven er recent twee studies over, beide auditief getiteld: ‘What Gorbachev heard’ en ‘What Yeltsin heard’.

In het eerste stuk betogen de auteurs dat de Sovjetleiding in 1990 de indruk kan hebben gekregen dat de NAVO pas op de plaats zou maken. In het laatste artikel benadrukken ze dat het Westen onvoldoende heeft geluisterd naar de soms panische signalen uit Moskou. Een jaar nadat Clinton in 1994 uitbreiding had gedefinieerd als „not whether but when”, zei Jeltsin hem bijvoorbeeld: „Ik zie niets anders dan vernedering van Rusland. Het is een nieuwe vorm van omsingeling.” Waarna hij Clinton bijna smeekte een beslissing uit te stellen tot na de Russische verkiezingen van 1995/1996 en mogelijk zelfs tot na zijn laatste ambtstermijn in 2000.

Eén aspect blijft niettemin onderbelicht: de positie van de volkeren die zich door Moskou gekoloniseerd hadden gevoeld en na 1991 de kans schoon zagen zich uit dit geopolitieke keurslijf van de 19de/20ste eeuw los te wrikken.

Polen nam daarbij het voortouw. President Walesa gunde Rusland niet het voordeel van de twijfel. Begin 1994 zei hij het tegen Clinton zo: vorig jaar had Jeltsin hem verzekerd geen bezwaar te hebben tegen een NAVO-lidmaatschap, nu kwam hij er al weer op terug. Je kunt niet van Rusland op aan: „de ene hand houdt een pen vast, de andere een granaat”, aldus Walesa. Zijn Tsjechische collega Havel was milder en wilde Rusland niet „isoleren”, maar ook hij liet blijken dat het niet zo kon zijn dat Moskou een veto zou hebben.

Deze mannen hadden een reden voor hun scepsis over het westerse visioen dat er uit de as van de Sovjet-Unie een nieuw Rusland zou oprijzen. Voor hen waren de militaire invasies in Hongarije (1956) en Tsjechoslowakije (1968) en de door Moskou gefnuikte emancipatiepogingen in Polen (1944, 1981) geen ver verleden, maar eigentijdse geschiedenis.

Wie dat „karrenspoor onder het asfalt” – woorden van de onlangs overleden Amsterdamse historicus Maarten Brands – negeert, mijmert wel leuk over geopolitiek maar verdonkeremaant dat Europa er sinds 1989-1991 echt anders uitziet dan in de negentiende eeuw.

Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.