Ik ben niet zielig!

Dagboek Je bent 21 en hebt longkanker. Floor van Liemt schrijft over wat haar overkomt.

Illustratie Merel Corduwener

Als kind woonde ik op Curaçao. Het maakte dat vliegen voor mij vanzelfsprekend was. Ik heb het altijd heerlijk gevonden. Het idee dat ik ergens tussen allerlei werelden en tijdzones in zweefde, maakte me rustig. Ik bevond me in een andere dimensie, waar ik niks hoefde en nergens bij hoorde. Een absoluut gevoel van anonimiteit waardoor ik me meer mezelf voelde dan anders.

Sinds het krijgen van de diagnose verlang ik terug naar dat gevoel. Na een paar heftige weken van wonderpillen slikken verklaart mijn arts dat mijn gezondheid wel stabiel genoeg is om met vakantie te gaan. Hoera! Even weg. Op naar het eiland waar zo veel herinneringen uit mijn jeugd liggen. Waar de zon schijnt die mijn zieke lichaam een gezonde kleur zal geven. Waar de tranquillo manier van leven een weldadig contrast zal zijn met de hectiek van de afgelopen weken.

Met een goed gevoel stap ik met mijn ouders en broertjes het vliegtuig in. Als gevolg van een lastminuteboeking zitten we niet naast elkaar. Om dit probleem snel op te lossen zegt mijn vader, een beetje onhandig, tegen de eerste de beste stewardess: „Ja, neem mij niet kwalijk, maar mijn dochter is heel ernstig ziek. Kunnen we bij elkaar zitten?” De ogen van Lieve Lindy kijken geschokt in mijn richting. Nee hè, deze flying blue-koningin denkt dat ik nog maar een paar weken te leven heb.

„Ach lieverd, mag ik je een knuffel geven?” Ze kijkt me met intens medeleven aan.

Als een boer met kiespijn laat ik me smoren in haar mollige omhelzing. Geërgerd plof ik neer in de stoel naast mijn moeder. Eenmaal in de lucht probeer ik me te ontspannen. Dat lukt niet bepaald, want elk kwartier tikt er wel een staff member op mijn schouder. Of ik nog iets nodig heb. Blijkbaar heeft Lindy de hele crew ingelicht. Als laatste redmiddel zet ik demonstratief mijn slaapmasker op. Maar de boodschap dringt bij Lindy nog steeds niet door. Halverwege de vlucht verzoekt ze mijn ouders om naar de pantry te komen. Daar krijgen zij een bespottelijk ‘geluksbelletje’ aangeboden met een wenskaart erbij, als cadeautje, voor de troost.

Als een boer met kiespijn laat ik me smoren in haar mollige omhelzing

Ze bedanken Lindy vriendelijk, maar weten niet hoe snel ze hun koptelefoons weer op moeten zetten.

Nadat ik een aantal uur heb geslapen, schrik ik wakker. Niet door fel licht, niet door een vreemd geluid, maar door Lindy, die met haar ferme boezem boven mijn hoofd hangt. Ze kijkt voldaan en zegt met het enthousiasme van een klein kind: „Lieverd, ik dacht, ik maak je even wakker. Ik heb het namelijk even voor je gevraagd… Je mag tijdens de landing in de cockpit zitten!” Vanbinnen kook ik, waarom snapt ze niet dat ik als een gewone passagier behandeld wil worden? Ik ben niet zielig! En in de cockpit zitten tijdens de landing staat écht niet op mijn bucketlist. Bovendien: al zou ik het willen, dan ben ik te trots om ja te zeggen. Mijn broertje grijpt zijn kans en neemt mijn plaats naast de piloot in. Ik voel idioot genoeg een steek van jaloezie. Totaal onterecht, dat begrijp ik zelf ook wel.

Floor van Liemt schrijft een serie over wat haar overkomt. Lees hier het eerste deel: Ik vind mijn kanker een brutale aap

Als we geland zijn ben ik opgelucht dat ik het vliegtuig kan verlaten. Lindy lijkt het vooral jammer te vinden dat aan haar rol als empathische engel een einde komt. Ze stelt het tot het laatste moment uit. Ze informeert mijn moeder nog even bij welke uitgang ze staat, zodat we goed afscheid van elkaar kunnen nemen. Dat laten we ons geen twee keer zeggen. We vluchten snel naar de andere uitgang. Doei Lieve Lindy!

    • Floor van Liemt