Krimpgemeenten heten liever krachtgemeenten

Krimp

Wat is het grootste probleem van krimpende gemeentes? Sloop, zeggen de burgemeesters. Want dat kost geld.

'Krimp klinkt of het er niet fijn is en de mensen er niet willen wonen.' Foto Kees van de Veen.

Als er één huis in de straat leeg staat, zegt wethouder Laura Broekhuizen-Smit (PdvA) uit het Groningse Oldambt (zie 2 op kaartje), heeft niemand daar problemen mee. Bij twee huizen maaien de buren wel even het gras – nog steeds geen probleem. Maar bij zes huizen staan de mensen aan haar bureau. „Dan zeggen ze: Laura, hoe ga jij dit oplossen?”

Tegen welke problemen lopen krimpgemeenten aan, en hoe kan het Rijk hen helpen? Daarover sprak NRC met burgemeesters en wethouders van 26 krimpgemeenten. Ze liggen in een regio waar de bevolking tot 2040 met minstens 12,5 procent daalt. En ze hebben te kampen met zaken als wegtrekkende jongeren, een toename van ouderen en leegstand.

De kosten van sloop en soms nieuwbouw daarna, blijken een groot probleem voor veel gemeenten, vooral die in het noorden en oosten van het land. Delfzijl (1), bijvoorbeeld, is gebouwd op 50.000 mensen – er woont nu de helft daarvan. „Leegstand zorgt voor verpaupering, maar slopen kost geld”, zegt burgemeester Gerard Beukema. „Iemand moet dat betalen”, zegt burgemeester Marianne Besselink van Bronckhorst (8). Net als veel collega-burgemeesters vindt zij dat het Rijk daar een bijdrage aan moet leveren.

Grensgemeenten, vooral in Zeeland, Limburg en Gelderland, lopen kansen mis vanwege nationale wet- en regelgeving. Zo kunnen Chinese studenten uit Aken niet zomaar in Vaals (5) wonen, omdat voor personen van buiten de EU extra voorwaarden gelden. En mensen die over de grens willen wonen of werken, lopen tegen conflicterende belasting- of pensioenregelingen aan. „Als wij een buslijn naar Duitsland willen”, zegt burgemeester Anton Stapelkamp van Aalten (8), „dan moet dat via de provincie en de Duitse deelstaatregering. Dat zijn stroperige organisaties.”

Bovendien, zeggen grensgemeenten: als landelijke beleidsmakers en onderzoekers de grens niet zo strikt zouden nemen, hoeft er helemaal geen krimp te zijn. „Als we dertig kilometer van Den Haag zouden liggen, zou niemand ons periferie noemen”, zegt burgemeester Jan-Frans Mulder van het Zeeuwse Hulst (7). „Nu we dertig kilometer van Antwerpen liggen, doen ze dat wel.” Burgemeester Reg van Loo van Vaals zegt: „Wij zijn aan Aken verbonden, waar een academisch ziekenhuis is, een excellente universiteit en een internationale hogesnelheidslijn. Toch staan we op plek 380 van de Elsevier gemeente-ranking, omdat hier geen voorzieningen zouden zijn.”

Regionale verschillen

Houd bij de financiering van onderwijs en zorg rekening met regionale verschillen, opperen verschillende burgemeesters. „Nu geldt: hoe meer leerlingen, hoe meer geld je krijgt”, zegt burgemeester Marga Vermue van het Zeeuws-Vlaamse Sluis (7), waar het middelbaar onderwijs onlangs moest worden gered door een kapitaalinjectie van 22 miljoen euro. „Terwijl je strategisch zou moeten kijken: welke regio heeft waar behoefte aan? Als een school in de Randstad verdwijnt, lossen andere scholen dat wel op. Hier moet een kind dertig kilometer verderop naar school en er is niet veel openbaar vervoer.”

NRC reist langs vier gemeenten in uithoeken van het land. Lees ook deel 1 over Stadskanaal: Verder weg van de snelweg kom je niet

Den Haag heeft „niet altijd een beeld van de potentie van de regio”, zegt onder meer de burgemeester van Maastricht (5), Annemarie Penn. „Men denkt bij Zuid-Limburg aan groene heuvels met een paar leuke stadjes. Dat klopt, maar dat is niet het hele verhaal: wij zijn een van de meest dichtbevolkte gebieden van Nederland.”

De term ‘krimpgebied’, ingesteld door het Rijk, ligt bij veel burgemeesters gevoelig. Ze zeggen liever ‘krachtgemeente’ of spreken van ‘demografische verandering’. „Er bestaat een gevaar van stigmatisering”, zegt Gerard Beukema, burgemeester van Delfzijl. Bovendien dekt de term de lading niet, zegt bijvoorbeeld wethouder Patricia Hoytink van Berkelland (8). „Krimp betekent: minder van hetzelfde, maar de effecten zijn veel groter dan dat. We hebben minder scholen nodig maar juist meer woningen voor ouderen. Die woningen zijn er nu niet, terwijl we er in aantallen te veel hebben.”

Particuliere woningen

De vrees is: als je krimp steeds benoemt, dan versterk je het proces, zegt hoogleraar bevolkingsdaling en leefbaarheid Bettina Bock van de Rijksuniversiteit Groningen. „Het klinkt alsof het er niet fijn is en mensen er niet willen wonen.”

Op dit moment steunt de Rijksoverheid de 45 krimpgemeenten in Nederland met jaarlijks in totaal zo’n 11 miljoen euro aan ‘krimpgelden’. Bestuurders zijn vaak dankbaar voor dit geld, maar voor de sloop en nieuwbouw die nodig zijn door de demografische veranderingen, is dit volgens hen niet genoeg. Zo kostte de herstructurering van Delfzijl-West begin deze eeuw 9 miljoen – gerealiseerd door een subsidie van het Rijk.

Daarom kan de term ‘krimp’, hoewel „akelig” voor bewoners, voor bestuurders ook interessant zijn. „Het is een manier om geld te krijgen”, zegt wethouder Annemarie Smit uit het Groningse De Marne (3). Bestuurders zijn het erover eens dat dat nodig is. „In de jaren 90 is er veel geld gestoken in achterstandswijken”, zegt Otwin van Dijk, burgemeester van het Gelderse Oude IJsselstreek (8). „Dat vroeg om solidariteit van de rest van ons land. Nu zijn de krimpgebieden aan de beurt.”

Den Haag moet niet alleen aandacht hebben voor groei en de Randstad, zegt burgemeester Marion Leurs-Mordang van het Limburgse Stein (6), maar ook voor randland en krimp. „Anders groeit de tweedeling. En dan kan het gebeuren dat de regio zich, door een opeenstapeling van problemen, ontwikkelt tot hetzelfde niveau als de zwakke wijk in de grote stad.”

Wilt u reageren of hebt u zelf ervaren hoe het staat met de leefbaarheid aan de randen van Nederland? Mail Randland@nrc.nl