‘In India was ik top of my class ’

Expats Partners van expats zijn vaak hoogopgeleid en gemotiveerd om aan de slag te gaan, maar kunnen in Nederland moeilijk een baan op niveau vinden. „Ik ken vrouwen met een universitaire master die hotels schoonmaken.”

V.l.n.r.: Minakshi, Alpa Kotecha en Gargi Kaushik, in het Haagse appartement van Kotecha. Foto David van Dam

Als ze terug kon in de tijd, had ze het helemaal anders gedaan. Alpa Kotecha (37) uit Groot-Brittannië studeerde af in biologie en scheikunde en kreeg vervolgens een droombaan aangeboden als onderzoeker in een ziekenhuis. Toch sloeg ze die baan tien jaar geleden af. Met haar man verhuisde ze naar Rotterdam voor zijn droombaan, bij ING.

In haar eigen vakgebied vond Kotecha in Nederland geen baan. Daarom werkt ze nu bij de factureringsafdeling van SES, een bedrijf dat satellieten rond de aarde stuurt. Met plezier, want haar collega’s zijn „familie”, maar naar de onderzoekswereld kan ze tot haar spijt niet meer terug. Het gat op haar CV is te groot.

Ze is niet de enige: expatpartners zijn veelal hoogopgeleid en gemotiveerd om aan de slag te gaan, maar het is moeilijk om een baan op niveau te vinden. Zeker als ze de taal niet spreken.

Nederlandse bedrijven zijn goed in het aantrekken van internationaal talent, vindt Ed Heerschap, maar denken te weinig na over het behoud ervan. Heerschap werkt namens de gemeente Eindhoven samen met Expat Spouses Initiative (ESI), een organisatie die zich richt op het vinden van werk voor partners van expats. Heerschap: „When the spouse is unhappy, the clock starts ticking. Ik zie het overal gebeuren. Als de partner niet gelukkig is, willen ze terug.”

Eindhoven trekt veel internationale werknemers, met bedrijven als ASML, Philips en NXP. ESI schat dat er in de stad nog zo’n 9.000 expatpartners op zoek zijn naar een passende baan. Bij de organisatie hebben zich ruim 800 partners aangemeld. Zij zijn vrijwel uitsluitend hoogopgeleid: 97 procent heeft minimaal een bachelordiploma. De Amsterdamse evenknie van ESI, Access, herkent de problemen die de Eindhovense organisatie schetst. Volgens de gemeente Amsterdam kwamen er vorig jaar bijna 3.000 expatpartners in de stad bij.

Dual career is volgens Heerschap de oplossing. Bedrijven kijken bij het aannemen van internationaal talent dan meteen of ze ook een baan kunnen vinden voor de partner van hun toekomstige werknemer. Met name de taal is een probleem voor de werkzoekenden. Middelgrote en kleine bedrijven nemen niet snel een werknemer aan die (nog) geen vloeiend Nederlands spreekt, ziet Heerschap.

Wie die barrière wil omzeilen, kan ook zelf wat opzetten. Kotecha, dochter van twee Indiase ouders, ontmoette in Nederland de Indiase Gargi Kaushik en Minakshi (in Bihar, de deelstaat waar Minakshi vandaan komt, worden geen achternamen gebruikt). De drie vriendinnen besloten twee jaar geleden een webshop voor Indiase etenswaren te beginnen, Shakti Aarna. Ze bezorgen in heel Nederland, vertellen de drie opgetogen op de bank in het Haagse appartement van Kotecha.

Ze begonnen de webshop deels omdat ze een gat in de markt zagen – „er zijn alleen Indiase supermarkten in de grote steden”, zegt Kaushik – en deels omdat hun carrière in Nederland nog niet is wat ze hadden gehoopt. Alleen de 29-jarige Kaushik werkt in het vak waarin ze is afgestudeerd. Ze is ingenieur bij CB&I, een bedrijf dat onder andere olieplatforms aanlegt. Kaushik kwam dan ook niet naar Nederland vanwege een partner: ze vertrok uit India om bouwtechniek aan de TU in Delft te studeren en vond hier na haar studie werk.

Minakshi heeft stille hoop dat de webshop snel groeit, zodat ze er fulltime aan de slag kan. Ze studeerde archeologie in India, „top of my class”, en kreeg er een promotieplek aangeboden. Haar man ging naar Singapore voor zijn eigen promotieonderzoek, zij ging mee. Ze wilde niet alleen in India blijven. In Singapore kwam ze niet in aanmerking voor een onderzoeksplek vanwege haar specialisatie in Indiase geschiedenis. Toen haar man als professor aan de TU in Delft aan de slag ging, kon ze zelfs als vrijwilliger in een museum niet aan de slag omdat ze geen Nederlands sprak. „Het is altijd iets”, verzucht Minakshi. Nu volgt ze Nederlandse les, doet ze vrijwilligerswerk in een bibliotheek en zorgt ze voor haar 7-jarige dochter.

De drie vriendinnen aan het werk in het appartement van Alpa Kotecha.
Foto’s David van Dam

Onleesbare tramkaart

Voor de 38-jarige Sara-May Monaghan, Australische, was het opzetten van een platform voor Engelstalige ouders in Rotterdam een manier om uit haar isolement te komen. Toen ze in 2014 naar Rotterdam verhuisde omdat haar man een baan kreeg bij CoolBlue, durfde ze de eerste maanden bijna de deur niet uit. „Ik kon de tramkaarten niet lezen, was bang dat ik met mijn baby zou verdwalen. En ook bij het consultatiebureau kon ik amper communiceren omdat ik geen Nederlands sprak.” Door Rotterdam Parents op te richten bouwde ze een netwerk op en maakte ze vrienden.

Ze kan haar netwerk grofweg in twee groepen verdelen, zegt ze: stellen waarbij beide partners uit het buitenland komen en stellen waarbij één van de twee Nederlands is. Bij half Nederlandse stellen hebben beide partners meestal een baan, bij volledig internationale stellen komt dat minder vaak voor. Hun Nederlandse netwerk is gewoonweg kleiner.

En áls de meegereisde partners een baan hebben, werken ze volgens Monaghan vaak onder hun niveau. „Ik ken vrouwen met een universitaire master die hotels schoonmaken.” Zelf bouwt ze nu als freelancer websites voor kleine bedrijven. In Australië leerde ze als beautyblogger de kneepjes van het vak, ze heeft van haar hobby haar beroep gemaakt.

De expatpartners herkennen het stereotype beeld van de vrouw die haar man achterna reist. Maar liefst 87 procent van die spouses is vrouw, blijkt uit onderzoek van expatorganisatie InterNations onder 12.500 expats wereldwijd. Ook de zorg voor de kinderen is traditioneel verdeeld: van de vrouwelijke partners blijft een op de drie thuis om voor de kinderen te zorgen, bij de mannen is dat ongeveer een op de tien.

Een uitzondering is Omid Hashemi-Parast (32) uit Iran. Tijdens zijn promotieonderzoek in Japan ontmoette hij zijn Iraanse vrouw, die daar menselijke robotica studeerde. Zij vond een baan aan de Universiteit van Tilburg, hij ging mee. Zo hadden ze het afgesproken: ze zouden afgaan op de eerste persoon die een baan vond. Hij is pas drie maanden in Nederland, maar is druk bezig om werk te zoeken.

Het gaat lastig, met zijn vakgebied: „Ik ben gepromoveerd op satelliettechnologie om de effecten van natuurrampen zoals aardbevingen of cyclonen te registreren”. Lachend: „Maar ja, die heb je hier niet. Hier zijn meer vacatures voor mensen met een financiële of managementachtergrond.”

Nu doet Hashemi-Parast vrijwilligerswerk bij Vluchtelingenwerk Nederland, deels om Nederlands te leren, deels om „zich nuttig te maken in de maatschappij”. Hij woont met zijn vrouw in Tilburg, ze hebben geen kinderen. Met een vriend heeft hij in Iran een bedrijf in betonnen meubels, hij probeert op afstand te helpen waar hij kan.

Hij zou graag in Nederland wat opzetten, maar dan wil hij eerst ervaring opdoen bij een lokaal bedrijf. „Ik wil leren hoe Nederlanders zaken doen, hoe jullie economie werkt.” Hij verwacht hier goed te kunnen aarden. „De Iraanse cultuur lijkt veel meer op de westerse. In Japan was alles heel erg anders.”

Als je partner een baan in het buitenland krijgt, wat betekent dat dan voor jouw carrière? „Je kunt beter onder je niveau werken, dan een gat op je cv oplopen.”

Een tweede leven

Op een zolder van een Eindhovense Vinex-wijk trekt Shazia Khan (34) een glitterjurk uit een propvolle stellingkast. Khan werd geboren in Calcutta, India, waar ze haar man leerde kennen. Ze wonen met hun twee kinderen nu al bijna tien jaar in Nederland. Het lukte Khan niet om een parttime baan te vinden en besloot daarom een eigen bedrijf op te richten.

Ze verkoopt traditionele Indiase feestkleding, stoffen en sieraden via haar webshop Shazi Fashion, maar klanten kunnen ook bij haar thuis langskomen om iets te passen. Ze heeft veel Nederlandse klanten die een bruiloft in India hebben, maar ook vrouwen die op zoek zijn naar iets speciaals. „In Nederland lijken alle kleren zo op elkaar, met die grote ketens.”

Het grote voordeel van haar eigen bedrijf vindt Khan dat ze zelf haar tijd kan indelen. Zonder familie in de buurt om te helpen valt het haar soms zwaar om het huishouden te runnen. In India kun je meer uitbesteden, zegt Khan. „Arbeid is er goedkoop. Je huurt gemakkelijker iemand in om te helpen met boodschappen, de kinderen of het huishouden.” Toch zou ze niet meer terug willen, het werkklimaat bevalt hier stukken beter. „In India zou mijn man tot tien uur ’s avonds moeten werken, vaak ook in het weekend. Nu heeft hij de tijd om met zijn kinderen te spelen, ze op te zien groeien. In Nederland heb je naast je werk nog een heel tweede leven.

    • Simoon Hermus