Hij wilde het verlies niet afronden

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Rouw om zijn zoon tekende het leven van schrijver en redacteur Oscar Timmers (1931- 2018).

Hollandse Hoogte

‘Tijd heelt niks,” zei Oscar Timmers in een interview in 1983. Het zinnetje bevat eigenlijk de kern van zijn leven en van zijn literaire werk. De motor van het schrijverschap van Oscar Timmers – die in 1957 debuteerde en vanaf 1974 onder de naam J. Ritzerfeld verschillende romans schreef – is verlies. In 1962 stierf Miliaan, de zoon van Timmers en schrijfster Lizzy Sara May,op vierjarige leeftijd. „Het was een verlies dat hij niet wilde afronden. In verband met zijn zoon mocht het woord ‘dood’ niet uitgesproken worden”, herinnert schrijfster Marja Brouwers zich.

Timmers was Brouwers’ redacteur bij uitgeverij de Bezige Bij, zo leerden ze elkaar kennen. Hij was een heel „zachtaardige man”. Een tijdje hadden ze een „heftige relatie”, maar na enkele jaren „begon zich een temperamentverschil aan te dienen”, zegt Brouwers. „Hij kon hele zondagen luisteren naar muziek op cd, madrigalen van Gesualdo, opera’s van Monteverdi. Zo was zijn eigen werk ook, ijl en indringend tegelijk, maar ik hield meer van Beethoven in een open ruimte. Zijn idee van een weekje chillen buiten de stad was een duur hotel in een andere stad. Het mijne was eerder een bamboehut op een tropisch eilandje. Hij was dol op biografieën en ik ben meer van Shakespeare en Kundera. Dus kwam de dag waarop hij zei, ik ga maar weer eens een tijdje alleen zijn. Ik vond dat toen een puik plan. „Het liep erop uit dat we elkaar daarna niet meer zo opzochten. Ik belde hem nog wel eens op zijn verjaardag, want ik wist dat hij dan alleen in zijn woonkamer zat.”

Zijn idee van een weekje chillen buiten de stad was een duur hotel in een andere stad

De eenzaamheid en het verlies komen vanaf Timmers’ roman Oogappel (1969) altijd weer terug. Dat bleef zo tot aan zijn laatste roman, Dromen van stof (2000) waarin niet alleen de rouw om de zoon maar ook om zijn vrouw verwoord wordt (Lizzy Sara May overleed in 1988): „Als je de dood wilt eren, als je de dood van je twee doden wilt eren, moet je zelf ook doodgaan. Dat kan niet op een fatsoenlijke manier. Je kunt naar de stad, en je laten doodschieten. Dichter bij huis gaat dat ook al. Met gemak. Maar fatsoenlijk, nee. En vooral: te laat. Het is te laat voor fatsoen. Op snel, mag je nog hopen. Op een flits.”

Dromen van stof wordt getypeerd door het zoekende, de hele roman houdt het midden tussen een romanvorm en een prozagedicht, waarin duidelijk wordt dat de schrijver met taal „de tijd doorbrengt”. Dat zoekende is terug te vinden in bijna al zijn werk, ongeacht of hij dat deed onder de naam Oscar Timmers of onder J. Ritzerfeld.

Oscar Timmers als kind. Privécollectie familie

„Ik verklaar niets meer. Ik draai om de hete brij heen”, vertelde hij in 1980 aan Ischa Meijer in HP/De Tijd. Hij wilde dat zijn eigen ervaringen er niet expliciet in voor zouden komen, het werk moest ook gedistantieerder worden. Zijn pseudoniem kon hem daarbij helpen. Maar ook onder de naam Ritzerfeld is die poging tot verwoording van het verdriet de rode draad. In De Poolse vlecht schrijft hij bijvoorbeeld: „Ik gebruik die dodenakker [van de Tweede Oorlog], omdat ik mijn eigen dodenakker niet durf te betreden.”

De Poolse vlecht was de roman waar Timmers het meest trots op was. Terecht, vindt Marja Brouwers: „Het is een meesterwerk. Het gaat over Auschwitz en vervreemding door wreedheid. Die vervreemding vat het beter samen dan al het andere dat over Auschwitz geschreven is.”

Als je de dood wilt eren, als je de dood van je twee doden wilt eren, moet je zelf ook doodgaan

„Hij droeg het verlies altijd met zich mee”, vertelt Suzanne Holtzer, hoofdredacteur Nederlandse fictie van De Bezige Bij. Timmers die in 1963 bij de Bezige Bij begon was drie jaar lang haar collega, voor zijn vertrek als redacteur in 1995. De foto van Miliaan hing op de kamer waar Timmers bijvoorbeeld het werk van Remco Campert, Hugo Claus, Jan Cremer en Harry Mulisch redigeerde.

Marja Brouwers benadrukt zijn „scherpe taalgevoel. Hij zag alles, kende alle schrijverstrucs, wees in ieder manuscript feilloos de slordigheden aan.” Dat hij zelf „buitengewoon elegante zinnen” schreef, leidde er volgens Brouwers toe dat sommige critici daar „ijdelheid” in zagen. Volgens haar was die elegantie juist iets natuurlijks voor hem. „Dingen die hem opvielen kwamen vanzelf in die bewoordingen terecht, spontaan. Op straat of in de tuin. Dan schreef hij zo’n zin op een sigarettenvloeitje om hem niet te vergeten. Ik stelde me voor hoe hij later zijn spijkerbroek in de wasmachine stopte met al die vloeipapiertjes in de rechter broekzak.”

Timmers was „een gestalte van verstilling”, vindt Holtzer. Ook staat hij voor een type redacteur dat nu bijna niet meer bestaat, dat met de verandering van het literaire landschap ook nauwelijks meer mogelijk is. Hij werkte vanuit overzicht en kalmte, zonder de hijgende adem van bestsellerslijsten in de rug. Ook zijn vertrek bij de uitgeverij na 32 jaar trouwe dienst typeert hem: met stille trom, en na zijn laatste werkdag betrad hij de uitgeverij niet meer.

Suggesties voor deze rubriek zijn welkom op necrologie@nrc.nl.
    • Toef Jaeger