Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Haas

Er liep een paashaas door het dorp, een beetje nonchalant, alsof het normaal was. De mensen keken hem niet na. De dochter en ik wel. We zaten aan de koffie en appelsap voor het raam bij de bakker.

„Nijntje!”, riep ze enthousiast, terwijl het dier geld pinde bij de automaat van de Rabobank.

„Nee, haas”, corrigeerde ik. „Paashaas. Die heeft het druk dezer dagen. Hij gaat eieren verstoppen, en die gaan wij dan over een paar dagen zoeken.”

Ik hoorde het mezelf zeggen.

„Nee, Nijntje!”, zei ze boos.

We zagen de paashaas op z’n gemak de Dorpsstraat uit sjokken.

Een paar minuten later haalden we hem in op de fiets.

„Nijntje!”, riep ze vanuit haar zitje.

Ik tegen de paashaas, alsof ik tegenover een kind van twee iets te bewijzen heb: „Jij bent toch de paashaas? En niet Nijntje?”

Hij: „Ja hoor, ik ben de paashaas.”

Ik keek de dochter in het lieve gezichtje.

„Zie je wel, paashaas.”

„Aaien”, zei ze. „Nijntje aaien.”

Ik: „Mag ze je aaien?”

De paashaas: „Ja hoor.”

Hij ging er speciaal voor staan, ik stapte af en tilde haar uit het zitje.

Ze aaide zijn been en trok daarna aan zijn staart.

De paashaas haalde een pakje shag uit zijn vacht, halfzware Drum. Hij vroeg of ik een shagje voor hem wilde draaien. Ik draaide een shagje, de routine zat nog in de vingers. Hij zette zijn kop af want met was het moeilijk roken. Je verwacht dan dat er een werkstudent of scholier tevoorschijn komt, maar hij was nog ouder dan ik.

Stop maar met aaien, dacht ik.

„Heb je bij de Vomar gestaan?”, vroeg ik.

Hij: „Nee, ik woon hier. Ik moet naar Zaandam. Folders uitdelen bij een winkelcentrum, maar we hebben eerst nog een briefing.”

Ik: „Geen eieren?”

Hij: „Nee, hoezo?”

Ik: „Ben je wel vaker paashaas?”

Hij: „Deze week wel. Ik doe het erbij. Zwart.”

We hadden elkaar verder weinig te zeggen.

Hij stak zijn shagje aan, inhaleerde een paar keer diep, zette daarna zijn kop weer op en zei dat hij door moest, anders miste hij de trein op station Wormerveer.

„Nico”, zei hij bij het afscheid en hij gaf me een poot. We kwamen elkaar ongetwijfeld wel weer eens tegen, iedereen kwam elkaar hier weer tegen, of je nou wilde of niet. Hij keek naar mijn dochter en zei: „Kinderen vinden het vaak wel leuk, een paashaas, maar die van mij niet meer. Mijn zoon zei ‘kut-konijn’ toen ik de deur uit liep, daar kon ik wel om lachen.”

Ik: „Haha, paashazen-humor.”

Daar moest hij dan weer niet om lachen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen