Column

Alsnog een groot, postuum cadeau

Michel Krielaars

Sinds deze week ben ik er definitief van overtuigd: Marten Toonder (1912-2005) had de P.C. Hooftprijs moeten krijgen. Niet alleen voor zijn originele taal, maar ook voor zijn nog originelere kijk op de wereld, die in deze tijd van schaarse ironie in het politieke debat node wordt gemist.

Het besef van Toonders literaire superioriteit drong opnieuw tot me door toen ik zijn Alleen maar papier. Essays over Ierland en levensbeschouwing: autobiografische stukken las, dat begin deze maand verscheen. Het is het derde en voorlaatste deel van het door Toonder-kenner Klaas Driebergen bezorgde en uitgegeven complete proza van de schrijver.

Wanneer je het leest heb je voortdurend het gevoel dat je dertien jaar na Toonders dood alsnog een groot cadeau van hem krijgt. Bovendien staan er in deze bundel drie niet eerder gepubliceerde stukken, waarvan er een over de dood van zijn vrouw Phiny gaat. Het is zo ontroerend in zijn eenvoud dat ik er niets over loslaat, omdat ik vind dat u het zelf maar moet lezen.

Vermakelijk is het interview met Olivier B. Bommel over diens verblijf in Ierland, geschreven in opdracht van reisbureau Prim-Air. Hierin prijst de heer van stand de schoonheid van Ierland, terwijl hij die tegelijkertijd geheim wil houden, omdat anders toeristen zijn rust komen verstoren. Zo antwoordt hij op de vraag of hij van vissen houdt: ‘Ja, ja, ik bedoel: ik vind het prettig om de jonge zalmpjes heel stilletjes gade te slaan aan de oever van een meer. Ik vang ze niet, bedoel ik. Dat is te vermoeiend voor mijn teer gestel. Maar er komen wel vissers, die op grote zalmen en de forellen uit zijn.’

Die lichte toon is er ook als Toonder de vooruitgang hekelt als gevolg van de Ierse toetreding tot de Europese Gemeenschap: ‘Maar het land gaat zienderogen vooruit, waar vroeger de landweggetjes kronkelden, voeren nu brede asfaltwegen naar de horizon, nijvere fabrieken verlevendigen het eens zo verlaten landschap [...]. Overal kan men nu de gele kruipers door het landschap zien bewegen, zwarte sporen achterlatend, maar geen faeries meer.’ Tegelijkertijd beseft hij dat in Nederland, anders dan in Ierland, geen natuur meer bestaat, maar alleen milieu, ‘een vorm van leven die door ambtenaren en wetenschappers geschapen is als een plantaardig monster van dr. Frankenstein.’

En hoe heerlijk is niet die passage over de begrafenis van zijn vriend en uitgever Geert Lubberhuizen in Ierland, waar de pastoor schitterde door afwezigheid: ‘Hij had van tevoren enkele grafredes ter inzage gegeven, waaronder een voor ongedoopte baby’s, waaruit de familie kiezen mocht.’

Elders haalt Toonder zijn vader aan, die in 1933 uit nazi-Duitsland was teruggekeerd en daar geschrokken was van Hitlers machtsvertoon. Die vader zei daarover: ‘Als je in Duitsland laarzen in de grond plant, dan groeien daar soldaten uit.’ Deze zin maakte zo’n indruk op de toen 21-jarige Marten, dat hij er twee jaar later het feuilleton ‘Thijs IJs bestrijdt de reuzen van Pakkijs’ over schreef.

Toonder zag de Duitse bezetting als de verwezenlijking van een verhaal. Toen de Duitse laarzen in 1940 Nederland binnen marcheerden volgden in 1941 Tom Poes en het geheim van de blauwe aarde en Tom Poes en de laarzenreuzen. Het waren de eerste strips die ik las. Een halve eeuw later kan ik me er nog alles van herinneren. Alleen zoiets al rechtvaardigt de P.C. Hooftprijs. Klaas Driebergen kan het bevestigen.