Recensie

Wat een superbrein ons over Hongkong vertelt

Detectiveverhalen worden vertaald vanuit vele talen en zo verscheen er onlangs ook een van Chan Ho-kei (1975), uit Hongkong. Voegt die origine ook wat toe aan het genre? De schrijver stelt in zijn nawoord van Hongkong Noir dat hij al schrijvende bedacht dat hij niet enkel ‘een mysterie dat met logica wordt opgelost’ wilde schrijven, maar ook een ‘compleet beeld van de Hongkongse samenleving’ wilde geven.

Zes verhalen staan er in Hongkong Noir, samen een roman waarin we in omgekeerd chronologische volgorde inspecteur Kwan Chun-dok en de stad Hongkong leren kennen. Kwan, aan wie geen detail ontsnapt en die een oplossingspercentage van 100 procent kent, wordt opgevoerd als een superbrein dat opereert vanuit de leunstoel – een element dat Chan op humoristische wijze doortrekt in het eerste verhaal door de hulp van Kwans brein in te roepen wanneer hij op sterven na dood in coma ligt.

Met ieder verhaal gaan we een stukje terug in de tijd en treffen we een jongere Kwan aan, al beperkt de persoonsontwikkeling zich voornamelijk tot zijn carrière. Hij is en blijft superintelligent, oprecht en integer, en daarmee sympathiek, maar niet direct menselijk. De personages blijven erg ondergeschikt aan het oplossen van de misdaad, en hetzelfde geldt voor het beeld van Hongkong. De corruptie van de politie, de maffia en veranderde politieke situaties en historische gebeurtenissen komen allemaal ter sprake, maar het blijft niet meer dan achtergrond en feitelijke informatie.

Misschien hangt dat ook samen met het perspectief. In de eerste vier verhalen is er een misdaad gepleegd en onderzoeken Kwan en zijn protegé Lok wie het heeft gedaan en waarom. In het vijfde volgen we de slachtoffers van een misdaad, de ouders van een ontvoerd kind, wat het verhaal een wat menselijker invalshoek geeft. En in het zesde verhaal wordt er een bomaanslag van linkse opstandelingen voorkomen. Zo hangen die twee laatste directer samen met de Hongkongse setting, maar zonder dat je veel wijzer wordt over wat dat betekende voor de samenleving of individuen.

Wie houdt van detectives kan zijn hart ophalen aan de lange beschrijvingen van hoe het superbrein de misdaad uitpluist en de denkfout die de misdadiger heeft begaan, waardoor het recht kan zegevieren. Kwan blijkt een goede bluffer die zijn tegenstander in elk verhaal wel een leugen op de mouw speldt of een rad voor ogen draait. Aan het einde begrijpen we ook hoe dat gekomen is, waarbij Chan lijkt te impliceren dat de reden waarom iemand een goede misdadiger óf een goede politieagent wordt, veelal op toeval berust. Beiden hebben buitengewone capaciteiten, die ze ook op andere wijze in hadden kunnen zetten.

    • Silvia Marijnissen