Recensie

Visionair kunstenaar van vroeger uit het stof gehaald

Nicolas Schöffer

Hij was bijna vergeten, maar museum LaM, bij Lille, vindt dat Nicolas Schöffer (1912-1991) juist onze tijd weer veel te zeggen heeft. Hij was een totaalkunstenaar met licht, geluid en ruimte.

Nicolas Schöffer, Spatioplastique 7 (1950) Foto N. dewitte / LaM. © Adagp, Paris

Vooruitkijken is het devies. Niet achteruit. Niet kijken naar wat verloren is gegaan, hoeveel er zijn gestorven, hoe je vaderland is veranderd onder de terreur van de nazi’s en daarna de communisten. Je wilt altijd maar voort. Je bezit een ongebreidelde nieuwsgierigheid naar wat nieuw is. Je gelooft in vooruitgang, samenwerking, in een wereld waarin mensen harmonieus samenleven met esthetische machines, en waarin jouw abstracte kunst – die beweegt en geluid maakt – een rol speelt vergelijkbaar met die van de kathedralen uit de Middeleeuwen. Je denkt het met heel je hart.

Dat hart klopt in de Franse kunstenaar/architect/uitvinder Nicolas Schöffer, die in 1912 wordt geboren in een Zuid-Hongaars paprikastadje en in 1936 naar Parijs vertrekt, het culturele epicentrum van dat moment. Schöffer flirt in zijn eerste kunstenaarsjaren met het symbolisme en het surrealisme, maar zegt in 1949 definitief de schilderkunst vaarwel. Hij bekeert zich tot het ‘spatiodynamisme’ – abstracte beelden met een stekker die bewegen in de ruimte – en wordt deel van een internationale avant-garde.

Nicolas Schöffer, Le Prophète (1932) Foto Haas Gallery, Boedapest/ Adagp

In de naoorlogse decennia lijkt in Frankrijk alles maakbaar, een betere wereld lonkt aan de horizon, met een betekenisvolle rol voor de kunst. Het zijn de jaren dat Constant New Babylon ontwerpt en Schöffer zijn ‘scheppingen schept’, zoals hij zelf zegt.

Die scheppingen zijn meestal spectaculair en ze treden tot ver buiten de oevers van de twee- en driedimensionale kunst. Daarbij klinken ze ook als een strijdkreet: tegen de ‘akoestische en visuele vervuiling van de moderne tijd’.

‘Prospectief’

Dat blijkt op een groots overzicht dat het LaM in Villeneuve d’Asq bij Lille nu aan het werk van Schöffer wijdt. In Nederland is Schöffer, de ‘vader van de cybernetische kunst’, weinig bekend. Het Stedelijk Museum en het Van Abbe organiseren in 1964 solo’s van hem. In Frankrijk wordt hij in 1968 met veel succes uitgezonden naar de Biënnale van Venetië. Hij neemt twee keer deel aan de Documenta in Kassel. Grote prijzen, letterlijk torenhoge opdrachten en met name tentoonstellingen in Amerika, Duitsland en Frankrijk volgen. Hoe cool Schöffer is, blijkt uit het feit dat hij in 1966 de ‘Voom Voom’ in Saint Tropez, een van de beroemdste nachtclubs van Frankrijk, mag veranderen in een hallucinerend spiegellabyrint. Brigitte Bardot zingt er in 1968 een liedje.

Nicolas Schöffer, Chronos 8 (1967) Foto N. Dewitte/

In 2005 krijgt Nicolas Schöffer een laatste kleine solo in Frankrijk – en daarna wordt het stil.

Dat kan en moet anders, vindt het LaM. Want in onze geglobaliseerde, post-humanistische samenleving is het goed om terug te kijken naar visionaire, humanistische ideeënmakers van vroeger. Schöffer is er zo een.

In Villeneuve d’Asq is dankzij honderden bruiklenen een ‘prospective’ ontstaan: een terugblik die vooruitblik wil zijn. Het theatrale aspect dat Schöffer met zijn bewegende apparaten uitdrukt en waarvoor hij samenwerkt met de whizzkids van Philips, een componist als Xenakis en een choreograaf als Béjart, moet je vooral ervaren in de zalen vol zinsbegoochelende lichteffecten en bewegende apparaten. Deze spektakelsculpturen worden afgewisseld met diepgravende intermezzo’s over (afgekeurde) ontwerpen, schetsboeken, bizarre maquettes, tekeningen, documentairemateriaal, foto’s en experimentele films.

Nicolas Schöffer, Spatiodynamique 16 (1953) Foto N. dewitte / LaM. © Adagp, Paris

Robotkunst

Wanneer Schöffer in 1992 sterft, spreken sommige kranten eerbiedig van een ‘magiër van het licht’ die het leven heeft gelaten. Die bijnaam is niet overdreven, als je kijkt naar een reusachtig werk als Lux 10 (1959), dat in de entree naar de tentoonstelling is opgesteld. Lux 10 is een achthoekige, ronddraaiende constructie van spiegelend roestvrij staal, waar metalen roosters, geometrische vormen en allerhande uitsteeksels worden aangelicht door van kleur verschietende lampen. Het groen, geel, paars, blauw geeft het werk niet alleen steeds een andere gevoelstemperatuur. Ook werpen de lichten gekleurde schaduwen op de muren, die daardoor fundamenteel onderdeel worden van het kunstwerk.

Nicolas Schöffer, Colléographic (1990) Foto N. Dewitte/ Adagp

De tentoonstelling is deels chronologisch, deels thematisch opgezet. Grote series spatiodynamische sculpturen passeren de revue, waarvan de vroegste – met onderdelen in primaire kleuren die lijken op een klok en seinpost – de beste zijn. Er is ruimte voor uitvoering en oplevering van de klanktorens die Schöffer optrekt in onder andere Luik en Parijs. Hij ontwerpt samen met technici van Philips het eerste abstract-geometrische robotkunstwerk CYSP I (1956), waarmee de dansers van Maurice Béjart prachtige duetten dansen. En ondertussen verschijnen er even nauwgezette als ver voerende maquettes voor futuristische stadswijken, waar wonen, werk en vermaak (net als in onze Bijlmer) rationeel gescheiden zijn en waar de kunst het centrum vormt van alle leven.

Principieel experimenteel

Schöffers veelkoppige werk is verrassend lichtvoetig, grappig, esthetisch en soms ook tenenkrommend kitscherig. Maar ontroerend is vooral het verlangen erachter. Dat verlangen behelst het experiment in alle fases van het leven – jong en oud. Schöffer experimenteert met verfpistolen en maakt tussen 1946 en 1948 een soort graffiti avant la lettre. Hij experimenteert met Philips om de perfecte sensoren en mechanieken voor zijn robotkunstwerken en geluidstorens te vinden. Hij experimenteert met de eerste personal computer en onderzoekt de creatieve mogelijkheden daarvan als hij in 1980 na een hersenbloeding aan zijn rechterhand verlamd raakt.

Die principieel experimentele overtuiging maakt Schöffers werk en werkwijze zo belangrijk voor nu. Zelfs in zijn vroegst bekende jeugdwerk, Le Prophète (1932), een symbolistisch werk op papier, spreekt die overtuiging al. Een slanke profeet in witte kleren wenkt vanaf een heuvel, tegen een achtergrond van anonieme flatgebouwen en fabrieken, naar een massa schimmen. Dat dit werk mierzoet is en voor die tijd al achterhaald, doet er niet toe. Het is een werk waarin de kunstenaar, met nog schamele uitdrukkingsmiddelen, zegt: alles moet anders, en ik ga proberen daar een rol in te spelen.

Nicolas Schöffer, Colonne de boîtes à effets (1969) Foto N. Dewitte/ LaM/ Adagp
    • Lucette ter Borg