Recensie

Niets slijt en mag slijten, na de dood van Mattias

Peter Zantingh Acht verhalen over hoe eenieder door het leven stumpert, na de dood van de jonge Mattias. Zantinghs derde roman kent weinig conflict en is licht afstandelijk geschreven, maar ontroert soms plotseling hevig.

Na een overlijden splitst de wereld zich in twee: er was de tijd mét, voortaan is er de tijd zonder. In Na Mattias, de derde roman van Peter Zantingh (1983), sterft Mattias, een jonge nog flierefluitende, kinderloze man, een wel zeer wrange, plotse dood. De mensen rondom hem leven voort, hoe ongenegen sommigen daartoe ook zijn. Zijn moeder zet zich schrap, want: ‘niets slijt en mag slijten’. Het moet volslagen abnormaal blijven dat de wereld bestaat zonder haar zoon er levend in. Wennen is geen optie.

Na Mattias heeft behalve haar nog zeven andere hoofdpersonen. Beurtelings krijgen ze de hoofdrol in een deel van het boek, waardoor we zien hoe eenieder door het leven stumpert. De existentiële eenzaamheid van de mens wordt door de constructie benadrukt, een beproefd procedé dat bijvoorbeeld Menuet van Louis Paul Boon uit 1955 in herinnering roept. Opvallend aan Na Mattias is echter dat het boek weinig conflict kent; de spanning zit ’m vooral in het willen weten hoe Mattias aan zijn eind is gekomen.

De eerste wier wereld we leren kennen is Mattias’ vriendin Amber; de tweede zijn vriend Quentin die in het leger in Afghanistan gediend heeft. In deze delen is Na Mattias te voorspelbaar. Natuurlijk had Amber net ruzie met haar vriend gehad voor het bijltje viel. Natuurlijk was hij de Dwaze Dromer met honderd plannen en zij de Voorzichtige Vriendin die hem tot weloverwogen keuzes maande. En vriend Quentin, de gewezen soldaat, praat niet gemakkelijk en kan weinig anders bedenken dan te gaan hardlopen. Er staat wat er staat, goed en zorgvuldig opgeschreven, maar ultranormaal en een tikje saai, zowel naar inhoud als naar stijl. Gelukkig krijgt de roman verderop meer vaart en zwier. Daar wordt het boek aangrijpend, en soms ontroert het zelfs plotseling hevig.

Op deze sterkste momenten gaat het over de liefde van ouders voor hun kind, meer nog dan over rouw. Er komt een vader in voor met een jong dochtertje. Ze veronderstelt nog dat haar vader oppermachtig is, ‘de regen uit kan zetten’. Hij voorziet haar groei bij hem vandaan. Hier werkt Zantinghs licht afstandelijke, onsentimentele toon heel goed. Een andere moeder registreert hoe zij in taal onmogelijk kan vangen wie en wat haar zoon allemaal voor haar is.

Het sterkste is het deel over Mattias’ moeder. Haar emotie is het meest uitgesproken en hier dreigt wel conflict. Op de begrafenis verbijt ze zich. Er zijn honderden mensen die ze niet kent, sommigen houden toespraken waarin ze haar kind niet herkent. Ze koken hem in tot enkele eigenschappen, ze verdraaien van alles: ‘Ze wil opstaan. Niét. Zo was hij niét.’ Zíj was het die hem kende, zíj was het, die hem maakte, en die hem, ook nu nog, in kan kleuren.

Hier brandt de wetenschap dat het afscheid al ingezet was. Haar volwassen zoon belde haar soms wekenlang niet, en als ze hem dan sprak, had hij niets te zeggen. Au. Even sec beschreven zijn haar schuldgevoelens – het eeuwige ‘had ik het moeten zien aankomen’, dat iedere moeder na een tragedie kwelt.

Maar uiteindelijk is Na Mattias vooral een hoopvol boek, over de menselijke veerkracht, en een pleidooi voor het goed om je heen blijven kijken. Zoals de ontroerende slotregels luiden: ‘We zijn niet stuk. We doen dit. Kijk ons dan, kijk dan, we doen dit.’

    • Judith Eiselin