Recensie

Moeder en de poezen zijn lichtpuntjes in het leven

Mensje van Keulen Met tegenzin hield Van Keulen eind jaren zeventig een dagboek bij van haar getob, met het schrijven, met haar ontrouwe man. Veel dagelijkse sleur, maar de notities bieden af en toe interessante inkijkjes.

‘Je kan beter (…) dood zijn, dan een dagboek bijhouden’, schreef Mensje van Keulen in 1976 in haar dagboek. ‘Ik houd er niet van om over mezelf te schrijven’, noteerde ze twee jaar later. ‘Gekanker. De eigen smalle wereld.’ En weer een jaar later: ‘Ik hang mezelf de keel uit.’ Toch hield ze in de jaren zeventig een jaar of vier een dagboek bij. De aantekeningen uit 1976 verschenen al eerder als boek (Alle dagen laat). In Neerslag van een huwelijk kunnen we nu ook nalezen wat Van Keulen van 1977 tot 1979 aan het papier toevertrouwde over haar dagelijks leven.

Het waren jaren waarin niets echt wilde vlotten. Na de successen van Bleekers zomer (1972) en Van lieverlede (1975) kon ze zich maar met de grootste moeite aan een nieuwe roman zetten. Haar huwelijk was een bron van veel onzekerheid, boosheid en verdriet (‘Hij is niet thuis. Hij is daar. Weer daar.’). Verder liet ze zich te veel afleiden door dagelijkse beslommeringen. ‘Ring ring. Brief, brief. Huishouden. Koken. Poezen vlooien.’ Voordat ze het wist was er alweer een dag om, die niet nuttig genoeg was besteed en waarover ze dan weer ontevreden was.

Mensje van Keulen werd steeds heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Ze kon niet kiezen. Weggaan bij haar man, die het had aangelegd met ene Cora, alias ‘Miss Kont’, of blijven, omdat ze ondanks alles toch nog van hem hield? Wel of niet toegeven aan haar kinderwens, die niet door hem gedeeld werd? Thuis zitten en werken of doorzakken met vrienden? De ene week nam ze zich voor om minder te gaan drinken en roken, de volgende week pafte ze twee ‘kisten à vijftig sigaren’ weg en kampte ze met flinke katers. Toen ze in het najaar van 1978 dan toch zwanger raakte, wist ze niet of ze er nu gelukkig mee moest zijn of niet, en paste ze haar levensstijl maar lichtjes aan.

We krijgen hier en daar interessante inkijkjes in de levens van schrijvers als Komrij, Sontrop, Biesheuvel en ’t Hart, maar Van Keulens notities zijn lang niet allemaal even boeiend. Daarvoor zijn ze te haastig geschreven, met te veel tegenzin en te weinig aandacht voor de formulering. ‘Dit kreng’, zoals ze haar dagboek noemt, was duidelijk een surrogaat voor andere scheppingen die maar moeizaam van de grond wilden komen. Het is ook nogal veel van hetzelfde: veel dagelijkse sleur, bitterheid en tranen, veel drank, onduidelijk gescharrel en nachtbrakerij. Waarom moest dit kreng eigenlijk integraal worden uitgegeven?

Gelukkig zijn er ook wat lichtpuntjes: de poezen, de uitstapjes naar haar huisje in Zeeland en vooral de bezoeken van ‘ma’, de praktische rots in de branding, die regelmatig kwam schoonmaken, een tapijt voor haar knoopte, of zelfgebakken kruidkoek kwam brengen, en ‘nieuwe pleeborstels’.

Het meest markant zijn wel de laatste alinea’s van het boek, geschreven op 11 juni 1979. Daarin maakt zij opgetogen bekend dat er een nieuwe man in haar leven is: ‘mooi, gaaf, warm, zacht’, die ruikt naar zee. ‘Ik kan mijn ogen amper van hem afhouden. Een nieuwe liefde, een overweldigende, ongekende liefde.’ Aan het jarenlange getob over haar huwelijk is een even abrupt als definitief einde gekomen. Mensje van Keulen kan eindelijk verder met haar leven en werk. Als dolblije moeder van een pasgeboren zoon.

Mensje van Keulen houdt vrijdag 6 april de achtste Kousbroeklezing, in De Rode Hoed, Amsterdam.
    • Janet Luis