Hoe het kabinet het referendum over de Intelwet uit handen gaf

Reconstructie mislukte ja-campagne

Het kabinet hield bij de campagne voor het referendum over de Inlichtingenwet vast aan dezelfde strategie als bij het Oekraïne-referendum: laat instappen en slechts een paar bewindslieden naar voren schuiven. Waar ging het verkeerd?

Hebben de politici zich te weinig laten zien? Kwam het door de negatieve frames van het nee-kamp? Of hebben de kiezers in Friesland en Groningen de Inlichtingenwet de nekslag gegeven?

Deze donderdag praat de ministerraad over aanpassingen aan de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv). Aanleiding is het verrassende ‘nee’ bij het referendum. Een week later zoekt het ja-kamp nog steeds naar verklaringen. Hoe kon het derde en – vermoedelijk – laatste referendum, net als de eerste twee, uitdraaien op een nederlaag voor het kabinet?

Iedereen is het erover eens: als het ja-kamp één referendum had kunnen winnen, was het dit. De campagne ging niet stiekem over de populariteit van de EU, zoals bij de referenda over de Europese Grondwet (2005) en het Oekraïne-verdrag (2016). En omdat er tegelijkertijd verkiezingen waren voor de gemeenteraden, zouden niet alleen de tegenstemmers in groten getale komen opdagen – zoals twee jaar geleden bij het Oekraïne-referendum. De opkomst was toen erg laag (32,2 procent); veel voorstanders van het associatieverdrag bleven strategisch thuis in de hoop dat de kiesdrempel van 30 procent niet gehaald zou worden.

Uit gesprekken met betrokkenen rijst een beeld op van een ja-kamp dat vasthield aan dezelfde strategie als bij het Oekraïne-referendum: laat instappen, alleen campagne voeren via de media, slechts een paar bewindslieden naar voren schuiven. Door de gunstige peilingen, die maandenlang een ‘ja’ voorspelden, zag het kabinet geen reden die strategie aan te passen.

Geheime diensten

Nieuw ten opzichte van 2016 was de grote rol voor deskundigen. De politieke partijen bleven bewust uit beeld, het kabinet gaf ruim baan aan AIVD-directeur Rob Bertholee en MIVD-baas Onno Eichelsheim. Ze verschenen uitgebreid op tv en in de kranten – een vorm van transparantie over het inlichtingenwerk die we nog niet eerder zagen, maar waar de inlichtingendiensten veel belang bij hadden. Ook achteraf blijft dat een goede keuze, klinkt het in de coalitie. Het idee: als een professional als Bertholee de noodzaak van de nieuwe bevoegdheden uitlegt bij College Tour, is dat geloofwaardiger dan wanneer alleen politici dat doen.

Behalve Bertholee en Eichelsheim waren er voor panels wel erg weinig voorstanders te vinden, klaagden organisatoren van debatten tijdens de campagne. En als ze aanschoven, bereikten ze weinig kiezers, omdat de debatten vaak voor een klein publiek waren. „Ik ben ook in die zaaltjes geweest,” zegt Eerste Kamerlid en voormalig militair Frank van Kappen (VVD), voorstander van de Inlichtingenwet. „Maar het publiek bestond daar uit de usual suspects, mensen die toch al behoorlijk wat afwisten van de wet.”

Politici stapten laat in

En hebben de politici voldoende gedaan? Deskundige Paul Abels, een oud-AIVD’er en voorstander van de wet die zo’n twintig debatten voerde, vindt van niet: „Een aantal bewindslieden heeft af en toe iets laten horen, maar ze hebben zich niet het vuur uit de sloffen gelopen.”

De kopstukken van het kabinet stapten inderdaad pas in de laatste week in de campagne. Dat was een bewuste strategie, in de overtuiging dat de kiezer pas op het laatst zou beslissen. De afgelopen jaren blijkt namelijk dat kiezers steeds langer zweven.

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66), verantwoordelijk voor de Inlichtingenwet, was een aantal keer op televisie, net als premier Rutte. Samen met CDA-leider Sybrand Buma schoof Rutte aan bij een debat over de Wiv in Nieuwsuur, de avond voor het referendum. Meer belangstelling van de media was er volgens hun woordvoerders niet.

Binnen de coalitie is kritiek te horen op die optredens. Zo maakten Rutte en Buma volgens een ingewijde „een erg verongelijkte indruk” bij Nieuwsuur. „Dat waren geen mooie beelden.” Ook niet handig, zeggen ze in de coalitie: Rutte die stemmen voor het referendum vergeleek met „kantklossen”.

Negatieve frames

Omgekeerd verwijten de voorstanders het nee-kamp leugens en negatieve frames in het debat, zoals het consequente gebruik van de term ‘sleepwet’. „Wij hebben geprobeerd voorbij dat frame te komen”, zegt een woordvoerder van de AIVD. „Maar bij zo’n complexe wet is een simpel frame voor tegenstanders in de discussie heel prettig.”

Lees ook: Een week nadat de Nederlandse kiezers mochten oordelen over de nieuwe inlichtingenwet, verscheen woensdag een bezorgd rapport van toezichthouder CTIVD op de inlichtingendiensten. Deze laakt de manier waarop geheime diensten internationaal gegevens delen. Internationaal toezicht is dus nodig.

Een andere ‘leugen’ waarover de voorstanders zich beklagen, komt van Amnesty International. In tv-spotjes waarschuwde de mensenrechtenorganisatie dat het weinig democratische Turkije van Erdogan straks over onze data kan beschikken. Een enorme overdrijving, vindt inlichtingenexpert Abels. „Het delen van gegevens is alleen mogelijk met landen die zich aan de mensenrechten houden. Dat kan dus in theorie met Turkije, maar niet met dít Turkije.”

De Inlichtingenwet, zegt Eerste Kamerlid Frank van Kappen (VVD), was gewoon „totaal ongeschikt” om in een simpele ja/nee-vraag aan de kiezer voor te leggen. „Zelf heeft het me zes maanden gekost om alle stukken te lezen. Veel mensen hebben tegengestemd zonder precies te weten wat er in de wet stond. Of ze dachten: de regering is voor, dus wij zijn tegen.” Dat neemt niet weg, zegt Van Kappen, dat het ja-kamp heeft gefaald. „We hebben de angst voor deze wet niet kunnen wegnemen.”

Een ander excuus voor de nederlaag waarmee politici uit het ja-kamp komen, is de ongemakkelijke positie van D66. De Democraten waren eerst tegen de wet, maar gingen om toen ze in de formatie afspraken konden maken over hoe de wet moet worden uitgevoerd. D66-Kamerlid Kees Verhoeven liet het moeilijke werk niet over aan de andere coalitiepartijen, die wel altijd vóór de wet waren geweest: hij was in de campagne een van de meest zichtbare voorstanders. „Er zijn zelfs mensen die tegen mij gezegd hebben: joh Kees, moet je wel al die debatten doen?”, zegt Verhoeven. „Maar ik heb gewoon m’n best gedaan.”

Volgens oud-minister Ronald Plasterk (PvdA) heeft de bekering van D66 ongunstig uitgepakt voor de campagne. Op de dag van het referendum twitterde Plasterk, die namens het vorige kabinet de Inlichtingenwet maakte, dat „de campagne rammelde en de draai van D66 ook.”

Zelf is Kees Verhoeven het daar niet mee eens. „In zaaltjes kon ik mijn verhaal prima uitleggen, ik heb dat op geen enkel moment lastig gevonden. Ik heb kritiek gekregen, maar ik vond het wél een leuke campagne.”

Tegenstem in het Noorden

En dan was er nog de massale tegenstem in Groningen en Friesland. Die zou het nee-kamp nét aan de overwinning geholpen hebben, zeggen ze in de coalitie. In grote delen van het Noorden waren vorige week geen raadsverkiezingen, vanwege gemeentelijke herindelingen. En als er alleen een referendum is, zagen we twee jaar geleden bij ‘Oekraïne’, komen er veel meer tegenstanders dan voorstanders opdagen.

Dat roept meteen de vraag op: heeft het kabinet rekening gehouden met de situatie in het Noorden? Ja, zegt het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat de ja-campagne coördineerde. Volgens een woordvoerder kwamen de resultaten van interne onderzoeken naar de stemming in het Noorden overeen met „het voor ons positieve landelijke beeld” (lees: de goede peilingen). Het ministerie zag daarom „geen aanleiding de campagne te wijzigen”.

Onterecht, zou blijken op 21 maart. Maar toen was het te laat.